Een Nederlandse beukennotencake

Een Nederlandse beukennotencake

Herfst. Het is weer tijd voor zelf geraapte bosvruchten.

Geïnspireerd op pinolata, een Italiaanse pijnboompittencake (pino betekent pijnboom), en Nederlandse beukennootjes. Een faggiolata? (Want faggio betekent beuk.) Beukennotencake. Over 1 ding zijn de oud-Romein Plinius en ik het namelijk helemaal eens: beukennoten zijn heel erg lekker.

Zoals eerder geschreven, beukennoten zijn in mijn omgeving niet te vinden. Geen nood, bij familie staan ze om de hoek. Maar toen we een keer terugreden van boven het IJ, via de A9 dit keer, hebben we een tussenstop gemaakt in het Amsterdamse Bos. Even een stuk wandelen. En dat bos staat tjokvol met beuken, naast vele andere boomsoorten. (Maar helaas is de tamme kastanje nauwelijks aanwezig anders hadden we die vruchten meteen meegenomen – zie onder.)

Het Amsterdamse Bos is een aangelegd bos. Tussen 1934 en 1940 werkten naar verluidt 20.000 mensen aan de aanleg. Niet helemaal vrijwillig, want in die jaren van grote werkloosheid werd de aanleg van het bos aangewezen als werkverschaffingsproject. Was je werkloos, dat had je toch ineens werk. Met als betaling een uitkering, dat wel. Het Amsterdamse bos is niet alleen bos. Er is ook veel water en grasland. Gevarieerd aangelegde vrije natuur, om in te recreëren.

Genoeg parkeerplaatsen aan de randen. Veel auto’s, maar het bos is zo groot dat je andere mensen in de herfst nauwelijks tegenkomt. Eenmaal in het park zie je terug dat het is ontworpen met de Engelse landschapsstijl in het achterhoofd. Door het vele water blijf je over bruggen lopen. Daarvan zijn er 67 van de hand van architect Piet Kramer. De bruggen zijn allemaal verschillend. Voor een deel zelf te ontdekken door de zogeheten bruggenroute te lopen. Daar is meer tijd voor nodig dan een tussenstop langs de A9 oplevert.

Grote trekpleisters zijn de Schotse Hooglanders. Wisten we niet, maar we kwamen ze wel tegen. Toch nog maar een stukje omgelopen naar de parkeerplaats.

In het Amsterdamse Bos staan zowel jonge als oudere beukenbomen. Ze kunnen wel meer dan 200 jaar oud worden. Dat is handig want beukennoten krijgen ze pas als ze ongeveer 50 jaar (of ouder) zijn. Beukennoten zoeken doe je daarmee onder hoge bomen met een dikkere stam. Sinds de aanleg van het Amsterdamse Bos zijn ruim 80 jaar voorbij gegaan: er zijn beukennoten bij de vleet, vooral in mastjaren.

Lees Meer Lees Meer

Kip van de jager

Kip van de jager

Stoofgerechten, wie houdt er niet van? Het doet vooral aan de herfst en winter denken. En aan ‘vroeger’. Nu de regen weer regelmatig tegen het raam tikt, is het ook de tijd om pannen langer op het vuur te laten staan. Het heeft iets huiselijks, zo’n geurend stoofpotje op het vuur. En dan zo van je thuiswerkplek aan tafel schuiven. Wat wil je nog meer.

Cacciatora is een bekend Italiaans stoofgerecht. Het betekent ‘jager’ in het Italiaans. Ik zie hem al zitten op Toscaanse heuvel, onder een boom, met zijn zojuist geschoten konijn op het vuur. Geen pasta uiteraard, maar met een stuk brood. Cacciatora wordt echter ook veel met kip (pollo alla cacciatora) gegeten worden, die zal dan niet geschoten zijn. ‘Kip van de jager’ bestaat ook in andere landen, maar de versies verschillen vaak sterk van elkaar, behalve dan dat ze kip als gemeenschappelijk ingrediënt hebben. Ook in Italië zijn er onderling verschillenden. In het zuiden voegt men vaak een glas rode wijn toe en in Noord-Italië witte wijn. Soms worden (kastanje)champignons toegevoegd. Een ideaal gerecht dus ook om er een eigen draai aan te geven. Hier in huis in ieder geval zonder wijn.

Lees Meer Lees Meer

Hartig taartje met witlof,
peer en blauwe kaas

Hartig taartje met witlof,
peer en blauwe kaas

Een nieuwe loot aan de Reutel reeks ‘klein hartig taartje‘. Met witlof.

Witlof is uitgevonden in Frankrijk. Al in de 17e eeuw was men daar bezig om winterse groenten in het donker te kweken. Zonder licht geen groen chlorofyl. In 1850 ontstond zo witte loof, witlof.

Witlof is een goedkope groente. Die aten we vroeger dan ook regelmatig. Dat vonden wij als kinderen niet echt geweldig. Witlof was vroeger namelijk veel bitterder dan nu. Om dat enigszins te verbloemen aten we witlof uit de oven, omwikkeld met plakken ham en bedekt met kaas. Die ham en kaas waren wel lekker … .

We aten zelfs – met tegenzin – rauwe witlof salade, met stukjes appel en een saus gebaseerd op mayonaise of slasaus. Ook al bedoeld om de bittere smaak te verbloemen. Hoe die salade ons huis is binnen gekomen? Ik geef de schuld aan de Tip.

Bitter is 1 van de 5 basissmaken die we kunnen proeven. En als je ouder wordt gaan de meeste mensen een bittere smaak meer waarderen. En dus ga je vanzelf ook weer witlof eten, ook al is die witlof door de teelt dus veel minder bitter gekweekt.

Een kleine quiche, niet met appel, maar met peer. En een blauwschimmelkaas die in de oven overeind blijft qua smaak.

Lees Meer Lees Meer

Gestoomde dorade met gember en lenteui

Gestoomde dorade met gember en lenteui

Eigenlijk eet ik te weinig vis voor hoe lekker ik het vind. Af en toe maak ik vis in heet-zure saus, een waar genot. Restjes zijn de volgende dag ook nog heerlijk. Of hete makreel, ook zo lekker, maar wel een klusje. Lekker bij de rijst, maar vooral ook op een witte broodje. Het meest feestelijke en tegelijk het meest makkelijke visgerecht hier in huis is gestoomde dorade met gember en lenteui. Ik kwam het tegen tussen mijn oude foto’s, op zoek naar inspiratie voor het weekend. Het was de eerste keer dat ik een vis als geheel bereidde en serveerde. Daarna maakte ik het met enige regelmaat, maar het recept is intussen wat verstoft. Het staat zelfs in mijn kookschriftje, maar ik kijk tegenwoordig vaker op Reutel dan in het schriftje. Tijd dus om het recept aan de online verzameling toe te voegen en de visboer op te zoeken.

Een grote dorade van 500-600 gram is doorgaans genoeg voor twee personen. Heb je kleine dorades, ga dan uit van 1 per persoon. Vind je een hele vis te eng op je bord, neem dan twee filets per persoon. Maar ik zeg je, een hele vis is veel leuker eten en bovendien zit er meer vlees aan een vis dan alleen de filets. In China schijn je de wangetjes van de vis aan te bieden aan je gast. Je eet de vis het beste met stokjes, wat het eetplezier alleen maar vergroot.

Lees Meer Lees Meer

De beste broodbakkers kwamen uit Cappadocia

De beste broodbakkers kwamen uit Cappadocia

De oud-Romein Cato schreef in zijn De Agri Cultura (gedateerd op ongeveer 160 BC) niets over gist, hoewel zijn mustacei wel degelijk luchtige broodjes waren. De oud-Romein Plinius schreef in 77 al veel uitgebreider over luchtig brood in zijn Naturalis Historia. Hij dacht dat broden luchtig werden bijvoorbeeld door deeg zuur te laten worden, door het deeg een dag te laten staan. De in Egypte wonende Griek Athenaeus schrijft in de 3e eeuw in zijn boek Δειπνοσοφιστών (Deipnosophistae, vrij vertaald ‘De Banket Experts‘) juist over verschillende soorten deeg en rijsmiddelen en welk effect dit had op het uiteindelijke brood. In die 4 eeuwen nam de kennis van luchtig brood maken wel degelijk toe. Maar gist bleef onbekend. Gist werd pas voor het eerst bekeken in 1680, toen Antoni van Leeuwenhoek met zelf gemaakte microscopen gistcellen observeerde tijdens zijn waarnemingen van bier tijdens het gistingsproces.

Athenaeus laat optekenen dat de beste broodbakkers uit de provincie Cappadocia kwamen, wij schrijven Cappadocië. Cappadocië ligt in het huidige Turkije en heeft schitterende rotsformaties en prachtige natuur. Cappadocië, dat is waar de Hettieten hun rijk begonnen. Het staat niet voor niets op de werelderfgoedlijst van UNESCO. In de Romeinse tijd was Cappadocië lang een zelfstandig vorstendom. Pas in het jaar 17 werd Cappadocië een provincie van het Romeinse Rijk. In de tijd van Athenaeus was Cappadocië een leverancier van granen – tarwe en gerst – en van een aantal metalen.

Athenaeus citeert volgens eigen schrijven uit een werk van Aristophanes, Acharnensians genaamd, die weer schrijft over een boek van Chrysippus van Tyana, ‘De Kunst van het Brood Maken’. Helaas voor ons is dit boek verloren gegaan. Tyana lag in Cappadocië. Chrysippus van Tyana zat daarmee op de goede plek om over brood te schrijven. Athenaeus citeert Aristophanes die schrijft dat de Grieken een zacht brood maakten van een soepel deeg, met daarin een beetje melk, olie en zout. Ze noemden het cappadocian, omdat zacht brood voornamelijk werd gemaakt in Cappadocia. En hij schrijft dat dit brood in Syrië lakhma heet. Volgens Aristophanes zag cappadocian eruit als een bloem.

Net als in de oudheid, waar het zachte cappadocian brood in Griekenland werd vernoemd naar Cappadocië, noemen wij in Nederland een rond zacht brood een Turks brood. Dit terwijl Turkije toch echt heel veel andere lekkere broden kent.

Een recreatie van het zachte brood van Chrysippus van Tyana.

Een zacht brood gemaakt met de ingrediënten die Chrysippus van Tyana opschreef en dat er, nog heel, uit ziet als een bloem.

Lees Meer Lees Meer

Masala kip

Masala kip

Kip Masala is een van die Surinaamse gerechten die zijn oorsprong vindt in de Hindostaanse keuken. De Hindostanen vormen een etnische bevolkingsgroep in Suriname en zijn oorspronkelijk afkomstig uit het toenmalige Brits-Indië, dat de huidige landen India, Pakistan, Bangladesh en delen van Myanmar omvatte. De Hindostanen kwamen vanaf in de tweede helft van de negentiende eeuw naar Suriname, met name na 1873. Dat had van alles te maken met de afschaffing van de slavernij. Toen Nederland in 1863 uiteindelijk de slavernij afschafte, werden de tot slaaf gemaakten wettelijk nog wel verplicht om minstens tien jaar op de plantages te werken, tegen betaling dit keer, dat dan wel. Toen de tien jaar voorbij waren, kozen vele voormalige tot slaaf gemaakten er voor de plantages te verlaten en moesten de plantage-eigenaren op zoek naar nieuwe arbeidskrachten. Al eerder waren een aantal Indiase immigranten aan de slag gegaan in Suriname. De Britten hadden al in 1834  de slavernij afgeschaft en hadden veel contractarbeiders uit Brits-Indië naar de Britse kolonies in West-Indië laten komen. Na afloop van hun contract waren sommigen naar Suriname gekomen om daar als contractarbeider aan de slag te gaan. Vanaf 1873 kwamen de immigranten rechtstreeks uit India.

Wie bekend is met de Indiase keuken, weet dat een belangrijk ingrediënt garam masala is. Masala is niets anders dan een (geroosterd) specerijenmengsel, een kerrie zouden we vroeger zeggen. Voor mijn Indiase maaltijden gebruik ik zelfgemaakte garam masala, maar voor mijn Surinaamse gerechten haal ik gewoon een Surinaamse masala bij de toko. Nu ik dit opschrijf, ga ik daar toch nog eens over nadenken…

Wie Surinaamse eten roept, komt al snel met roti met kip, kousenband en meestal ook aardappelen. Roti is een soort pannekoek of platbrood en wordt (lauw)warm gegeten. De kip in het gerecht wordt bereid met masala. Je kunt de kip masala natuurlijk ook zonder roti en kousenband eten. Lekker op een Surinaams broodje bijvoorbeeld, met een lik Surinaamse sambal (een soort van raketbrandstof) en wat schijfjes komkommer in het zuur. Kip masala is bovendien heel makkelijk te maken. En terwijl ik er doorgaans voor kies om kippendijen te gebruiken, neem ik voor de kip masala toch het liefste kipfilet. Je kan het zo pittig maken als je zelf wilt, dus een rode peper of een Madame Jeannette, of de peper gewoon weglaten. Wie niet van heet eten houdt, kan maar beter geen Madame Jeanette eten.

Lees Meer Lees Meer

Speciale soep, door de
Opperdoezer Ronde

Speciale soep, door de
Opperdoezer Ronde

Wij eten gekookte aardappelen eigenlijk alleen in warme winterse stamppotten en in koude zomerse huzarensalade. Het aardappel gebruik neemt wel flink toe als we de gekookte aardappels nog een keer gaan bewerken of als we ze juist niet koken. Voorbeelden zijn tattie scones, gnocci, scones, op z’n zweeds, pizza, geroosterd en gepoft. De variatie mogelijkheden zijn werkelijk eindeloos. 1 van de mogelijkheden is soep, aardappelsoep. En dan kiezen we het liefst voor een heel bijzondere aardappel: de Opperdoezer Ronde.

Aardappels staan bekend om een hoog zetmeel gehalte, maar een Opperdoezer Ronde heeft juist een lager zetmeelgehalte. Dat maakt de soort meteen al apart. De Opperdoezer Ronde groeit in de buurt van het Noord-Hollandse dorp Opperdoes. Alleen dan mag het namelijk ‘Opperdoezer Ronde’ heten, een sinds 1996 beschermde Europese Oorsprongsbenaming. De aardappel groeit op zavelgronden, zandgrond met daarin kleideeltjes, maar wel maximaal 25%. In de aardappelen zitten veel vitamines en hoogwaardige eiwitten. Nog een reden om ze te eten.

Heeft de Opperdoezer Ronde nadelen? Jazeker. Het zijn seizoen aardappelen en daarom beperkt beschikbaar, van mei tot en met september. De schil is zo dun dat hij alleen met de hand gerooid kan worden. En dat merk je meestal in de prijs, hoewel ook deze aardappelen nog steeds goedkoop zijn.

Jammer genoeg bevatten de Opperdoezer Ronde aardappelen vaak ogen. Voor de teelt goed, want uit die ogen groeien de spruiten waarmee de aardappel nog meer aardappels gaat produceren. Voor de eter is het wat minder. De ogen moet je uitsteken. Je verliest daardoor iets meer aan aardappelgewicht dan bij gladde soorten.

Is het leefgebied van de Opperdoezer Ronde nu groot of klein? In Nederland wordt ongeveer 165.000 hectare grond gebruikt voor aardappels [1]. Dat is ruim minder dan voor de grasteelt wordt gebruikt: ruim 9.800.000 hectare. We houden duidelijk meer van vlees en zuivelproducten. Die 165.000 hectare wordt gebruikt voor de blijkbaar 550 soorten aardappelen die we in Nederland verbouwen. Zou het eerlijk zijn verdeeld dan is per aardappelsoort 300 hectare beschikbaar, 3 vierkante kilometer. Volgens [2] is er echter maar 100 hectare beschikbaar rondom Opperdoes. Dat is 1 vierkante kilometer. Volgens [3] was het eerder meer, 136 ha en 160 ha worden genoemd. De Opperdoezer Ronde heeft echt een klein leefgebied. Het is te hopen dat de gemeente Medemblik tot in lengte van dagen de gronden beschermd waar de Opperdoezer Ronde op mag worden gebouwd.

Geen nood: er schijnt jaarlijks zeker 1 miljoen (in 2020) tot 4 miljoen kilo aan Opperdoezer Ronde aardappelen te worden geleverd. We doen ook even niet aan local produce, eten wat dichtbij is verbouwd. Blijven exporteren die aardappelen uit Noord-Holland-Noord naar andere regio’s in Nederland zou ik willen zeggen.

Want Opperdoezer Ronde aardappelen nemen we altijd met voorpret uit de winkel mee naar huis. Bijvoorbeeld voor een romige en goed gevulde, stevige aardappelsoep.

Lees Meer Lees Meer

Ghoegrie-soep

Ghoegrie-soep

De keuken van Suriname is een wonderlijke fusion-keuken. Voordat de Europeanen de ‘Wilde Kust’ begonnen te ontdekken, werd Guyana, zoals de brede strook land tussen Orinoco-delta en de noordelijkste monding van de Amazone werd genoemd, bevolkt door verschillende Inheemse stammen. De Europeanen bevolkten hun plantages naast gevangen genomen Inheemsen met tot slaaf gemaakten uit Afrika. Vele tot slaaf gemaakten ontsnapten en vluchten de binnenlanden in. Door de tijd ontwikkelden heen zich op deze manier zo verschillende stammen van Marrons. De Marrons hadden hun eigen eetcultuur, gebaseerd op de Afrikaanse keuken. De overige tot slaaf gemaakten, Creolen genoemd, ontwikkelden ook hun eigen cultuur. Onder de Europeanen bevonden zich ook veel Joden uit Spanje en Portugal, waar de Joden werden vervolgd, en zo deed de Joodse keuken zijn intrede in het land wat we nu kennen als Suriname.

Wat betreft de Nederlanders was er niet echt sprake van een eigen keuken, die zal in eerste instantie hebben bestaan uit geconserveerde levensmiddelen uit het vaderland aangevuld met lokale vruchten en groenten. Maar daarna zullen de Nederlanders vooral hebben gegeten wat de tot slaaf gemaakten voor hen bereidden.

Toen in de negentiende eeuw de slavernij langzaam werd afgeschaft, ontstond er behoefte aan nieuwe arbeidskrachten voor op de plantages. Halverwege de negentiende eeuw kwamen de eerste Chinese arbeidsimmigranten naar Suriname, gevolgd door zogenaamde contractarbeiders uit India. Daarmee kreeg de Surinaamse keuken nieuwe impulsen. In 1890 volgden er vele Javaanse contractarbeiders. In dezelfde periode kwam ook een kleine groep Libanezen naar Suriname. Het land was een smeltkroes geworden van culturen, religies en keukens.

Lees Meer Lees Meer

Cheesecake met gerookte zalm in een waterbad

Cheesecake met gerookte zalm in een waterbad

Schotland is best wel speciaal. Bijvoorbeeld Isle of Skye, het grootste en meest noordelijke van de grotere eilanden van de Binnen-Hebriden, in het westen van Schotland. Schitterend eiland met hoge, scherpe pieken op de bergen. Toen wij er waren prachtige zonnige dagen beleefd. Wij overnachtten er in een tent, op een camping vlakbij Portee. Je moest goed opletten hoe je de tent neerzette, want de grasvelden lagen tegen heuvels en liepen toen ietwat schuin af. De dikke mist kwam soms ’s ochtends al golvend de heuvel af om de tenten op te slokken. Schotland kent meerdere manieren van vochtig weer, afhankelijk van de plek waar je verblijft.

Veel gezien op Skye, maar toch 1 ding gemist: het familierestaurant Garden of Skye Smokehouse vlakbij Tarskavaig. Maar of ik op dat moment cheesecake met gerookte zalm had besteld? Ik denk het niet. Als we in de Schotse Hooglanden in een dorp gingen eten, keken we in een restaurant gewoon op de menukaart wat we op dat moment lekker vonden. Daardoor wel vaak vis van de dag gegeten, meestal zalm of forel. Ook regelmatig niet, als er niets vers was gevangen in de naastgelegen rivier. Snel stromende rivieren, soms zo ondiep en vol stenen dat je dacht, hoe kan forel hier overleven. Voor zalm is het makkelijk, die eten naar verluidt veel minder op weg naar de paaigronden. In de buurt van een loch was er altijd wel verse vis. Maar zalm in cheesecake, nee.

Over lochs gesproken. Het beroemdste loch ter wereld moet wel Loch Ness zijn. Het is een diep zoetwater loch met een lengte van ongeveer 37 kilometer. Op het breedste punt is het 2,7 kilometer breed. Lang en smal, relatief gezien. Het diepste punt is 230 meter onder het oppervlak en toch zie je niets. Het is donker water, tegen het zwart aan, met dank aan turf. Toch zwemmen er ruim 10 vissoorten in het loch.

Ook wij hebben een paar keer een uurtje naar het oppervlak van Loch Ness staan staren. Als je in de Highlands reist is de weg van Fort William naar Inverness namelijk bijna onvermijdelijk. Fort William kent door zijn ligging veel regen waardoor wij in al die keren nooit de top van Ben Nevis hebben gezien, de hoogste berg van de Britse eilanden. Is ook niet zo gek. Die top is maar heel weinig dagen per jaar te zien. De top zien staat nog steeds op ons lijstje. Richting Inverness komt je eerst langs Loch Lochy (what’s in name, nou, ook Loch Loch bestaat), daarna langs Loch Ness. Wel veel rimpels in het water van Loch Ness gezien, door de wind en varende boten, maar geen monster. The Loch Ness Centre & Exhibition in Drumnadrochit heeft veel informatie over de geologie van Loch Ness and over het vermeende monster. Knap is dat als je het museum weer verlaat, je nog steeds zelf moet beslissen of je in het bestaan van het monster gelooft of niet. Science rules.

Onze interesse in Schotland is blijvend. Jaren geleden las ik over het bezoek van Michael Portillo aan het familierestaurant op Skye (en daarom gekeken) tijdens een aflevering van Great British Railway Journeys en sindsdien bleef het toch een dingetje in mijn achterhoofd, die cheesecake met gerookte zalm.

Heel lang uitgesteld, zonder reden. Uiteindelijk toch maar eens gemaakt. En daar heb ik geen spijt van.

Lees Meer Lees Meer

Snelle (zomerse) salades
Zonder sla

Snelle (zomerse) salades
Zonder sla

Sla. Vroeger. Aten we kropsla. Met slasaus, gekookt ei en tomaat. Croutons deden wij niet aan. Die tomaat bewoog ik altijd zorgvuldig naar de rand van het bord. De sla kwam vaak rechtstreeks ‘van het land’, uit het tuintje dat onze opa toen nog had. Later werd ijsbergsla populair en dressing uit een fles. Die dressing was ook wel nodig, want die ijsbergsla smaakte nergens naar. Krakend water. De kropsla werd later overigens ook minder smaakvol en niet alleen omdat de sla niet meer bij opa vandaan kwam. Zoiets als wortelen van de supermarkt, die ook nergens meer naar smaken, een soort van plofwortelen dus.

Tegenwoordig zijn er tal van varianten sla verkrijgbaar. Meest in een zakje. En vaak niet voor weinig. Het enige wat ik nog wel eens koop is rucola. Beetje scherp, beetje bitter, beetje nootachtig. Lekker op een broodje kaas of op een zelfgemaakte pizza. Maar sla eet ik dus weinig. Salades daarentegen wel, maar dan zonder sla. Wat de definitie van een salade precies is, ben ik nog niet achter. Doorgaans een mengeling van koude groenten zou ik zeggen. Rundvleessalade voldoet met die ene doperwt daar formeel dan weer niet aan. Het is deze week ook te warm om daar over na te denken. Daarom de snelle salades die hier afgelopen week op tafel verschenen.

  • bietensalade
  • komkommersalade
  • tijgersalade

Lees Meer Lees Meer