Archief van
Categorie: Rijst

Sloppy Spaanse paella-rijst met Mexicaanse tinten

Sloppy Spaanse paella-rijst met Mexicaanse tinten

Veelkleurige maaltijd, maar verder niet helemaal een genot voor het oog. Wel voor de mond en neus. Zo eten wij ook wel eens. Zeker als we op vakantie zelf moeten koken na een dag vol inspanningen.

Want zo is deze maaltijd ooit ook begonnen, op vakantie zelf kokend. De foto laat ook een typisch voorbeeld zien van een lekkere maaltijd die, door de presentatie, het nooit zal redden tot de tafels van (sterren)restaurants. Een typische op vakantie- en thuismaaltijd. Zo’n maaltijd die je alleen aan de buitenwereld laat zien omdat je nu eenmaal deelneemt aan een foodblog, omdat die maaltijd echt heel lekker is.

Veelkleurige maaltijd, maar een foto in hard en direct zonlicht vereist speciale kunde en camera. In ieder geval een modernere digitale camera dan die wij nog steeds gebruiken. Want die werd al weer ruim 20 jaar geleden gekocht in Taunton, Engeland, toen onze oerdegelijke Oost-Duitse spiegelreflex camera uit Dresden na vele jaren trouwe dienst er plotseling mee ophield. Die in Engeland gekochte camera is still going strong. Maar hé, we zijn een foodblog en nog niet op zoek naar een plekje aan de muur in het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam.

Taunton, de stad met een prachtig beeld van een draak aan de muur van de bibliotheek [1]. Je komt op weg ernaartoe langs Stonehenge. Altijd stoppen voor een bezoekje! Verveelt nooit. Draken kom je niet alleen tegen in Wales. Ook Somerset kent ze. En wel de ‘Somerset Dragon’ [2], what’s in a name. Volgens de overlevering een nogal agressieve draak, die het vooral zou hebben gemunt op melkmeisjes. Uiteindelijk door een bisschop onthoofd met een zwaard. Zoek je pratende draken, dan moet je bij J.J.R. Tolkien zijn.

Wie houdt er nu niet van draken? Wij hebben in ieder geval al ruim 20 jaar een wakende groene draak in de tuin. Inmiddels wat verweerd door weer en wind. Maar met 20 kilo aan de haak waait die niet weg. Gekocht in IJmuiden en gemaakt in, jawel, Somerset. Kleine wereld.

Maar goed, een tijdje terug was er op een Engelse zender een serie over wat chef-koks thuis aten. Dat viel regelmatig in dezelfde categorie als deze maaltijd: snel, makkelijk en lekker. Want ook chef-koks hebben soms jonge kinderen of thuis een hele kleine keuken. Er werd gezegd, ‘uitgebreid koken doe ik elke dag al in het restaurant, dan ga ik dat thuis toch niet nog eens doen’. Klinkt logisch.

Spaanse paella met Mexicaanse tinten is zo’n snelle en lekkere vakantie- en thuismaaltijd. De medeblogger heeft de Mexicaanse keuken volop omarmd, gezien zijn vele recepten op Reutel. En die keuken is ook heel interessant. Zeker als je van scherpe pepertjes en koriander houdt. En laten dat nu net ingrediënten zijn die in ons huishouden juist niet unaniem omarmd worden.

Geen nood. De Mexicaanse keuken komt voort uit die van de Maya’s en Azteken, met ook nog eens veel Spaanse invloeden. Dan heb je recepten en ingrediënten genoeg om uit te kiezen. Hier mais, paprika en limoen. En in plaats van kidneybonen, naar verluidt heel populair in Mexico, zwarte bonen gebruikt. Simpelweg omdat wij die in gebakken vorm lekkerder vinden.

Op vakantie alles gekocht in het dorpswinkeltje, om ’s avonds een maaltijd mee te maken. In plaats van Mexicaanse arroz rojo (rode rijst) daarom dit keer net als toen paella rijst gebruikt.

Lees Meer Lees Meer

De eerste keer ajvar eten, die optie is er niet meer

De eerste keer ajvar eten, die optie is er niet meer

Voor het eerst ajvar proeven, dat was speciaal. Dat is echter al lang geleden gebeurd. Voor het eerst ajvar proeven kan nooit meer. We weten nu al elke keer hoe ajvar gaat smaken. Echt superlekker, zeker. Maar het experiment en de verrassing, die komen niet meer terug. Toch jammer.

Net als bij de regelmatige herlezing van Lord of the Rings. Geweldig verhaal, maar de plot is onderhand al wel bekend. Maar toch regelmatig herlezen, uiteraard. Het blijft een complex verhaal met veel zijpaden en doorkijkjes naar andere tijden. Het blijft speciaal.

Balkenbrij. Ook zo’n ding. Wij aten het van jongs af aan. We hadden toen zeker niet door hoe bijzonder het was. We aten het gewoon, want we kregen het voorgeschoteld. Pas na de studententijd, jarenlang genoten in een stad die toen bestond zonder balkenbrij, weer eens balkenbrij gegeten. Een soort van hernieuwde kennismaking. En toen had ik ineens wel door hoe apart en bijzonder lekker het was.

Ajvar dus. We hadden een mee-eet gast die tijdens een over eten-conversatie meldde nog nooit ajvar te hebben gegeten. De bedachte wat luxere maaltijd verplaatst naar morgen, als we weer onder ons zijn. Geen uur in de keuken maar slechts 20 minuten. Want aan de mee-eter een simpele maaltijd voorgesteld én een nieuw gastronomisch genoegen in het vooruitzicht gesteld: ajvar.

Wat is ajvar, daar was onze gast wel nieuwsgierig naar. (En mogelijk nieuwe lezers ook.) Wel, als eerste, ajvar is echt superlekker. Ten tweede is ajvar een traditionele, dikke saus uit de Balkan. Een mengsel van geroosterde paprika (hier 76%) en aubergines (hier 12%), met tomatenconcentraat (hier 2,6%), en verder onder andere pikante peperoni pepertjes, suiker, zout en geheime specerijen.

De ajvar van Podravka bevat geen conserveringsmiddelen en geen kunstmatige smaakstoffen. Een opengebroken potje is, zonder conserveermiddelen, maar zo’n 10 dagen houdbaar in de donkere koelkast. Maar zolang blijft bij ons een potje niet vol.

Uiteindelijk zitten er rode paprika, aubergine (via de ajvar), en tuinerwten in deze maaltijd. We waren benieuwd wat onze gast van het ajvar deel zou vinden, maar waren a priori vol vertrouwen dat het bord met smaak leeg gegeten zou worden.

Een vorige keer de ajvar eerst door de rijst gemengd voor opdienen. Dat doen we deze keer anders.

Lees Meer Lees Meer

Hè, echt geen extra zout, peper en olijfolie?

Hè, echt geen extra zout, peper en olijfolie?

Met enige regelmatig mag ik graag kijken naar een zoveelste herhaling van kookprogramma’s, tot andere huisgenoten TV-rechten claimen. Echter wel kijken zonder geluid. Beelden op de achtergrond, zonder lawaai. Foute kookprogramma’s zijn daarbij zeker het leukst. Gewoon af en toe kijken of men iets maakt wat een thuis-kok later ook kan maken, regelmatig in de comfort food zone, mogelijk met toevoeging van wat eigen ideeën. Zonder elke keer over-the-top woorden als fantastisch, geweldig, kleurrijk en verras je gasten, et cetera, te moeten aanhoren.

We zaten te kletsen met dit keer Jamie Olivier op de achtergrond, niet echt fout te noemen, voor als het gesprek even stilviel. Die chef-kok is overigens ook zeer moeilijk te missen op de kookkanalen op de lineaire TV. Hij was daardoor alweer 1 van zijn dezelfde 30 minuten maaltijden aan het maken. Plotseling viel ons beiden tegelijkertijd iets op, want zonder geluid let je automatisch meer op de visuals.

Zout, zwarte peper en olijfolie gaan er eigenlijk altijd op of in bij deze kok, wat er ook aan andere ingrediënten, ook uit potjes en flesjes, in gaan. En niet in minimale hoeveelheden, maar ruim. Soms zelfs 2 keer op verschillende tijden in de bereiding. Het is zo te zien in zijn westerse gerechten ook zeg 99% van de tijd olijfolie, en geen neutrale olie zoals bijvoorbeeld arachideolie.

Zout, zwarte peper en olijfolie, dat levert elke keer dezelfde smaken op in elke maaltijd, toch, gezien de hoeveelheden. Dat doen wij dus niet. Wij gebruiken meestal kruiden en specerijen voor extra smaken.

Ook andere TV-koks vertonen het gedrag. Eerst allerlei lekkere kruiden en specerijen in een maaltijd verwerken, soms veel verschillende, en dan op het laatst de maaltijd ‘op smaak brengen’. Op zijn Engels, bring to taste en bring to flavor. Gekke terminologie. Beter klinken season it en enhance the flavor. Dan smaakt wat je tot dan hebt gemaakt ook al goed; maar via enhancen kan het blijkbaar nog beter. Dat klinkt nog enigszins positief. Maar dan volgt het haast idee fixe gebruik van zout, en zwarte peper en olijfolie op TV. Echter, echt niet alles wordt lekkerder met de smaak van olijfolie, wat de TV-koks ook beweren. Echt niet.

Dat op smaak brengen gaat ook niet met een snufje zout, maar vaak met veel zout. Zout wordt toegevoegd met als argument dat het de andere smaken zal versterken. Maar zout brengt gewoon een dominante smaak mee van zichzelf; zout eten smaakt zout en drukt juist de andere smaken gemakkelijk weg. Die dominante smaak van zout komt vast omdat mensen zout echt nodig hebben, onder andere voor vochtregulatie en spierbewegingen. De evolutie zorgde er vast voor dat we de smaak van zo’n noodzakelijk ingrediënt extra lekker zijn gaan vinden.

Doordat zout relatief goedkoop is, vind je het ook zo veel terug in chips en kant-en-klare kruidenmixen. Lekker, goedkoper dan andere kruiden en specerijen en met een sterke smaak. Dat wil blijkbaar iedereen wel, want in supers is veel ruimte voor (zout in) chips en kruidenmixen. Dat kan alleen als het door klanten gekocht wordt.

Erg leuk wordt het ook als men specifiek zeezout als ingrediënt noemt en gebruikt. Zout wordt tegenwoordig gewonnen in verdampingsbekkens langs kusten én uit oude zoutlagen in bergen, van voormalige en al lang verdwenen (binnen)zeeën. Het is allemaal zeezout. Het wordt anders als dat zout is verontreinigd met allerlei mineralen of gewoonweg klei. Dan heeft het vaak een kleurtje en een extra smaakje. Maar zeezout zelf is echt niets bijzonders, wat TV-koks ook mogen beweren.

Ook als ze speciaal grovere zoutkorrels gebruiken voor in een saus is dat vermakelijk. Zoutkristallen lossen namelijk nogal makkelijk op. De grove kristalkorrels vindt je echt niet meer terug, want weg. Ze blijven alleen heel in droge maaltijden, zoals salades zonder dressing. Veel grote korrels zout betekent wel dat je snel over de 1 tot 3 gram zout gaat die je maximaal zou moeten eten per dag.

Wij voegen al tijden lang geen extra zout meer toe aan maaltijden. Eigenlijk alleen, en dan niet eens altijd, bij zelfgemaakte patat en aardappelpartjes, en soms in deeg van quiches en scones. En ook vrijwel altijd bij zelfgemaakt brood. Want dan is zout regelmatig de enige toegevoegde smaakmaker.

Een beetje zwarte peper gebruiken we regelmatig in maaltijden, als we geen andere pepertjes gebruiken, maar zeker in cacio a pepe, en dan meteen ook wat meer. Een beetje vers gemalen zwarte peper door een romige risotto met gesmolten kaas, ook lekker. Maar waarom zwarte peper toevoegen aan een maaltijd als er al andere scherpe en pittige ingrediënten in zitten? Zo doet een vriendin van ons standaard extra vers gemalen zwarte peper op haar restaurantmaaltijd, zonder dat ze eerst heeft geproefd hoe scherp het al is. Ze weet dat wij dat een beetje vreemd vinden, maar blijft het doen.

En olijfolie gebruiken we soms, maar zeker in een vinaigrette. We gebruik eigenlijk veel vaker neutrale arachideolie.

Conclusie. Ze doen het allemaal lijkt het wel, die TV-koks, zeker aan het eind van de bereiding nog eens extra zout en peper toevoegen, aan welke maaltijd dan ook. Dat lijkt op aangeleerd gedrag, zonder eigen reflectie. Op de koksschool geleerd? Maar op gedrag dat niet veranderd, ook daar kan je feedback op geven.

Dus, groene asperges en guanciale, zonder extra toegevoegde zout, peper en olijfolie. En dit keer ook zonder kaas, maar dat is een heel ander verhaal.

Lees Meer Lees Meer

Rode Camargue rijst, haricot verts en roquefort

Rode Camargue rijst, haricot verts en roquefort

Een overwegend Frans uitziende maaltijd, door de rode Camargue rijst, haricot verts en roquefort.

Toen ik onlangs thuis kwam van een uithuizige werkplek, zag ik op ons bureau een stapeltje etenswaren staan. De datum-checker was weer bezig geweest. De gedroogde pasta wel meteen weer in de kast gelegd. Zag er nog goed uit. Ruiken doen we wel als de plastic verpakking open moet.

Er stond op het bureau ook 1 rijstsoort. Een grote nog helemaal afgesloten pot rode Camargue rijst. Die Camargue rijst was bij een groothandel gekocht. Die wij vooral zien als een delicatessenwinkel. En af en toe als een presentatiebord kopen winkel. Mijn wederhelft had het achterin van een voorraadplank uit de bijkeuken vandaan gehaald, waar geen rijst hoort te staan. Die hoort in een keukenla. Vandaar. Want rode Camargue rijst is zeker een delicatesse, die opgroeit in een prachtige streek.

Een pokke-end rijden, maar de moeite waard meldden vrienden van ons. Dat pokke-end rijden komt omdat de Camargue aan de Middellandse Zee ligt, tussen Montpellier en Marseille. Bijna 12 uur rijden vanaf Utrecht, zonder files en pauzes, van die dingen. Dat wordt dus halverwege ergens overnachten als we een keer gaan.

Een groot deel van de Camargue wordt gevormd door het Parc naturel régional de Camargue, sinds 1971 een officieel regionaal natuurpark. Er loopt een speciaal relatief klein zwart runderras, de Camargue-runderen, alsook roze flamingo’s en witte Camargue-paarden, die bereden worden om de runderen op te drijven. Het Wilde Westen aan de Middellandse Zee.

Klinkt erg aantrekkelijk om er een paar weken rond te kijken en rond te fietsen. Zeker omdat de Camargue de Rhônedelta omvat, dus water zat, en waarschijnlijk ook muggen zat, dat is minder. Het is een vlak gebied; dat kennen we want een groot deel van Nederland is ook een delta.

Speciaal zijn ook de étangs, de lagunes voor de zoutwinning, en de rizières de Camargue, de vele onder water staande rijstvelden, met water uit de Rhône. De rode rijst is nu wereldberoemd en heeft sinds 2000 een beschermde oorsprongsbenaming. Naar verluidt is de Mistral wind cruciaal voor Camargue rijst, en dat komt door de geografie van Oost-Frankrijk.

De Rhône vormt de grens tussen het oosten van het Centraal Massief en het westen van de Alpen. Door de noord-zuid ligging van de vallei komt de wind in een soort van lange trechter terecht om uiteindelijk de Camargue regio in te stromen. Die wind, de Mistral, bevat droge lucht en kan gemiddelde snelheden van boven de 100 kilometer per uur bereiken. De Mistral blaast de wolken weg en zorgt daardoor mede voor het droge en zonnige klimaat in de Camargue. Blijkbaar ideale groeiomstandigheden voor Camargue rijst.

Camargue rijst komt in 3 kleuren en smaken. Witte rijst, die een vrij neutrale smaak heeft. Zwarte rijst, die naar verluidt, want zelf nog nooit gekookt, tijdens het koken een geur van kreupelhout en gekonfijt fruit afgeeft. En de beroemde rode rijst, die een sterk nootachtig aroma heeft en een aardse toon. De zwarte en rode Camargue rijst zijn volkoren rijstsoorten.

Meteen de volgende dag gebruikt in een soort van kip René maaltijd. Niet echt nagedacht hoe de maaltijd op te bouwen trouwens. Meer een probeersel. De medeblogger serveerde de rode kip met witte rijst en doperwten. Wij hadden jonge velderwten in de diepvries in huis. En dus die rode Camargue rijst.

Lekkere maaltijd zeker, maar we vonden allemaal dat het niet de beste omgeving was voor rode Camargue rijst. Zelf koken, je leert echt elke dag. Witte rijst is bij Ayam Merah echt een veel betere keuze. Dat moest dus anders. Even gekeken op het internet, maar daar worden toch wel veel andere smaken gemengd door rode Camargue rijst. Waardoor de authentieke smaak van die rijst waarschijnlijk verdwijnt, leek ons.

Wat nu? Dan toch maar iets zelf bedacht. Gewoon, een wat eten we overmorgen sessie belegd. Niet voor morgen, want hoewel heel lekker, doen we na vandaag rode Camargue rijst morgen geen rode Camargue rijst.

Haricot verts hebben een delicate bonensmaak, dat delicate kan niet worden gezegd van roquefort. Die heeft juist een intens, krachtig en pikante smaak. Die gaan we uit elkaar houden op de borden. En, de roquefort niet mengen door de rode Camargue rijst, ook belangrijk.

Lees Meer Lees Meer

Over de combinatie van vegaballen en salami

Over de combinatie van vegaballen en salami

Sommige dingen zijn moeilijk te bevatten, of zelfs helemaal niet. De laatste 10 jaar zijn er heel veel vegetarische alternatieven bijgekomen in de winkels. Maar, waarom kiezen vegetarische eters en producenten voor zoveel vleesconnecties in de namen van vega-gerechten? Veelal met in de naam, de naam waar het een vleesvervanger voor is. Meestal met een op tarwe en/of soja en/of erwten gebaseerde basis. Je kunt daarmee nu op zoek naar een vervanger van spek en lever. En die zijn er dus in zekere mate, want ze heten zo. Maar er zit geen vlees in. Een contradictio in terminis, een tegenstrijdigheid in begrippen.

In een opwelling een keer op de AH website de zoekterm ‘vegetarisch’ ingetypt. Een deel van de oogst was: vegetarisch kiptaartje bospaddenstoelen, vega ovenschotel kipfilet peperroomsaus, vega smeerworst tuinkruiden en vegetarische kip stukjes. Jumbo’s score was soortgelijk, met ook nog Vegetarische Slager kipstuckjes. De Vegetarische Slager geeft de schuld aan de vleeseters voor de vleesnamen; die vleeseters zouden verleid moeten worden [1].

En dan is er ook nog de Vega Visboer [2]. Die eten maakt deels op basis van een hypoallergene rijstkorrel, ontwikkeld naar verluidt omdat Japanners meer hooikoorts kregen, en deels op een speciale viskruidenmix. Nepvis, want het woord ‘vis’ blijft maar worden gebruikt: vegan vissticks, vegan visburgers, vegan visnuggets, vegan visfriet, vegan visfilet en ook nog vegan garnalen.

Het zal allemaal wel. Het is pure psychologie. En bovendien, vegetariër zijn betekent gewoon dat elke keer als je boodschappen doet, je actief geholpen wordt om aan vlees te denken, wat je eigenlijk niet wilt?

De EU wil wat gaan doen aan het gebruik van vleestermen voor vegetarische producten, namelijk verbieden [3]. Een deel van de vegetariërs wil dat verbod dan juist weer voorkomen [4]! Wat daar van te vinden?

Vegetarisch eten, zeker zelf klaargemaakt, daar is niets mis mee. Maar de vele kant-en-klare vega-producten bij de supers kunnen ons nog steeds niet bekoren, vegetarische slager en visboer of niet. Vegetarisch gehakt, Vega snijworst, enzovoort, het lijkt meer te gaan over de kleur en heel soms de textuur nabootsen dan om de smaak. En smaak is toch wel een belangrijk dingetje. Als vegetarische spekreepjes niet naar spek smaken, noem ze dan gewoon vegetarische kruidenreepjes. Houd ons niet voor de gek!

En dat vond de EU ook op 5 maart 2026 [5]. Namen van dieren en stukken vlees mogen niet meer over 3 jaar. ‘Vegaburger’ wel, en dat is te tolereren. Maar ‘vegaworst’ mag ook. Worst is bij ons echt een 100% vleesding. Jammer. Moeten we nog steeds opletten in de winkels.

Wij eten vegetarische maaltijden, maaltijden met vis en maaltijden met vlees. En soms ook combinaties daarvan. Zoals hier. Het is een soort van snelle comfort-food maaltijd, op zich weinig spannends aan. Daarom interessant als je thuis komt van je werk en binnen een half uur weer door moet, bijvoorbeeld om te trainen op een door de sportclub vastgesteld tijdstip. Zonder de stress van iets nieuws te moeten verzinnen en vervolgens te koken.

Hier gebruiken we andermans vegetarische ballen en andermans salami. Eerder schreef ik over een uitwisseling van ideeën over gehaktballen en vegetarische balletjes. De medeblogger vindt de vegetarische ballen van de super wel ok, hij meldde zelfs dat de structuur aan die van vlees doet denken. Dus die vegaballen toch maar eens een keer zelf getest.

Ze zijn bol en klein, dus de term balletjes klopt helemaal. En ze zijn vegetarisch, met een prima textuur. Vegetarische balletjes, een wel goed gekozen naam.

Die vegaballetjes, want relatief klein, bevatten volgens het etiket gerehydrateerd plantaardig eiwit, en wel 44% soja en 27% tarwe eiwit. Wat de overige 29% is, staat er niet, of het moeten de gehydrolyseerde maïseiwit en vrije-uitloopei-eiwit zijn. En daarnaast zijn er nog eens minimaal 20 andere ingrediënten! Minimaal omdat de specerijen en kruiden niet verder uitgeschreven worden. Daarnaast bevatten de balletjes zowel zeezout als zout, apart. Zeezout voor de hype? Bijna alle zout is heel erg oud zeezout van nu verdwenen zeeën, ondergronds, of zeezout recent gewonnen uit bekkens.

Eerste conclusie? Ze hebben het wel eens over processed cheese, maar processed vegaballen bestaan net zo goed. Vooruit, voor het experiment toch gekocht.

Heb je nog nooit vegaballen gegeten, dan is dit een mooi moment om te gaan experimenteren. Er zijn een aantal varianten te koop in de supers. Veel keuze, dat was zeg 10 jaar geleden wel anders. Kies je eigen favoriet of maak ze zelf.

Sommige fabrikanten maken heerlijke salami’s, met een heel andere smaak dan die vegaballen. Lang niet elke salami is even lekker, maar Spianata Romana is dat zeer zeker wel. Langgerekte plakjes salami gemaakt van mager varkensvlees waar dan weer stukjes spek en vet aan wordt toegevoegd. Gemaakt door een lange ronde net gemaakte salami in een rechthoekige bak te leggen en er dan een gewicht bovenop te doen. Worden de salami’s plat van. Dat er hele pepertjes inzitten is goed te zien. De rest van de specerijen is uiteraard geheim. Spianata Romana smaakt licht zoet.

Vegaballen én salami in 1 maaltijd, het is gewoon een kwestie van het combineren van smaken en texturen, als je tenminste geen vegetariër bent, dat dan weer wel.

Bij snel comfort-food hoort kaas, hier een betere Emmentaler gekozen.

Lees Meer Lees Meer

Balkenbrij, met rode paprika en groen/witte prei

Balkenbrij, met rode paprika en groen/witte prei

Na het blogje van de medeblogger over kip ‘saté-salade’, dat ook over guilty plaesures ging, meldden huisgenoten dat balkenbrij absoluut mijn guilty pleasure is. Dat hebben ze dan helemaal fout. Balkenbrij eten is gewoonweg absoluut noodzakelijk. Geen ontkomen aan.

Mijn grootste guilty pleasure betreft waarschijnlijk blokjes speciale kaasjes. Als in, 1 stukje kaas is lekker en eigenlijk ook wel genoeg, maar 2 stukjes kaas is nog lekkerder. Daarna pas komt balkenbrij. Afspreken dat je je beperkt tot 150 gram balkenbrij per keer. En dan een stuk van 180 gram kopen. Dat is ook een guilty pleasure, zeker.

Want onze lokale balkenbrij-verkopende slagerij had het voor het eerst in handzame plakken in de vitrine liggen. Vorige winters kochten we nog grote rechthoekige blokken van circa 500 gram. Nu plakken van ongeveer 1,5 x 8 x 14 centimeter groot, vacuum verpakt. Innovatie. Dat scheelt ons snijwerk. Wel iets dikker dan dat we het zelf meestal snijden, van een blok balkenbrij. Dat wordt iets langer bakken en/of op iets hoger vuur dan anders. Ontdekkingsreis.

Elke plak woog rond de 180 gram, iets meer dan het onszelf opgelegde maximum van 150 gram per persoon per keer. 4 plakken betekent 4 porties, dus 2 maaltijden deze week met balkenbrij voor de 2 bewoners van ons huis die het wel lusten.

Handig voor ons die individuele plakken, want we hoeven de 3e en 4e portie niet in te vriezen voor later. Op de koudste plek in de koelkast leggen is voldoende. Maar is het ook handig voor het milieu? Nou nee. Er was al 4 keer ruim plastic over, want daar zat geen balkenbrij in verpakt. En zelfs als het er strak omheen had gezeten, kosten 4 individueel verpakte plakken zo’n 1160 cm2 aan plastic, en 1 blok van 720 gram 422 cm2 aan plastic. Liefst 738 cm2 meer aan plastic. Verklaring? Kleinere volumes hebben relatief echt meer oppervlakte. Wij vermoeden dat het merendeel van de klanten echt maar 1 pak van 180 gram koopt. Wij zijn meer van het atypische grootverbruik, blijkbaar.

Die plakken balkenbrij lagen in de vitrine zonder naambordjes, net als alle andere vleessoorten. Blijkbaar is de aanname dat klanten al weten hoe stukken vlees eruit zien en hoe alles heet.

Op de kassabon stond naast dat aankoopbedrag ook wat we hadden gekocht: balkebrei. Een nieuw woord. Balkenbrij heet in dialect ook wel balkebrie. Ongevraagd meldde de medeblogger waarschijnlijk daardoor meteen “typefout”. Of is het woord balkebrei toch een eigen mix van de woorden balkenbrij en balkebrie.

Het is een slager met een eigen boerderij met dieren. Tijdens het wachten, want populaire en toch ook kleine slagerij, kan je op een TV-scherm bewegende beelden zien, uit het verleden, van de geslachte dieren die eerder gewoon in de wei en in de modder liepen en rolden. Mijn wederhelft heeft daar wat moeite mee. Ik niet. Je eet vlees. Dat komt ergens vandaan. Simpel. Hoop altijd wel dat de koeien en varkens een heel goed leven hebben gehad tot ze geslacht werden. Want dat gebeurt voordat vlees op je bord beland. De simpele waarheid.

Lees Meer Lees Meer

Een soort van nasi goreng en een soort van Generaal Tso’s kip

Een soort van nasi goreng en een soort van Generaal Tso’s kip

Het is geen echte nasi goreng. En het is geen echte kip van generaal Tso. Want wat ingrediënten weggelaten en andere hoeveelheden gebruikt. Noem het geïnspireerd op.

Kip. In mijn jeugd vierde ik een deel van de lange zomervakanties op de boerderij van een oom en tante. Die van de boerderij met de heel veel noten producerende walnotenboom.

Dat verblijf was de eerste keer confronterend. Onze moeder kocht kip bij de poulier, en ander vlees én kant-en-klare nasi bij een slager. Niet de slager die het dichtste bij ons huis was. Kwaliteit telde.

Op de boerderij van die oom en tante hadden ze een kippenren, inclusief een groot grasveld, gedeeltelijk onder de walnotenboom. Elke ochtend mocht ik verse eieren ophalen uit het nachthok, voor bij het ontbijt.

Het zal op de 3e of 4e dag zijn geweest dat mij werd gevraagd of ik kip wilde eten die avond. Kip, lekker, dus ja.

Wist ik veel dat ze vlees niet altijd bij de slager kochten, maar soms zelf slachten. Nu was slachten an sich mij niet onbekend. De verhalen hoe de grootouders vroeger zelf elk jaar een varken slachtte kende ik goed: balkenbrij.

Vlak bij onze school was een hele grote professionele varkensslachterij, volgens de normen van die tijd dan. Als je er langs reed op de fiets kon je de rijen varkens goed horen en ook goed zien hangen aan haken aan een soort van lopende band. Andere tijden.

Ook niet onbekend was dat je kippen op een kippenboerderij levend kon zien lopen en dat we dan zelf de kip uitzochten die die avond op onze borden zou liggen. Dat kwam door de grootvader die zeer goed kon koken.

Op de boerderij pakte de tante op die 3e of 4e dag een kip uit de ren, ging op een stoel zitten buiten de ren, en voor de ogen van de andere kippen – en mij – werd de uitverkoren kip, die spartelde met de poten, met een ferme klap van een hakmes onthoofd. De rest van de kip ontsnapte, gleed naar de grond en het spartelen ging over in lopen. Lopen, een kip zonder kop! Mijn kant op ook nog. Niet lang gelukkig. Weer terug op school geloofde niemand mij.

Of de tante die kip bewust los liet zodat de kip ging lopen, voor mij, of dat de kip echt weggleed heb ik nooit gevraagd. Maar de al bloedend lopende kip ben ik nooit meer vergeten. Ik mocht ook toekijken hoe de kip meteen werd geplukt. Wel ’s avonds gewoon kip gegeten, uiteraard.

Dat eerder al spartelen van de kip is wel belangrijk voor het lopen zonder kop. De hersenen van kippen zijn nodig om het lopen te starten en te stoppen. Tijdens het lopen zijn ze niet nodig. Daarvoor volstaan naar verluidt de zenuwen in de ruggengraat. En daardoor kan een kip zonder kop wel een paar minuten blijven lopen, tot de zuurstof en energie op is.

Verder een leuke tijd gehad. Varkens voeren, hokken schoonmaken, onkruid wieden, groenten oogsten, pony’s gedekt zien worden door een op bezoek zijnde betaalde fokhengst en koeien over de weg verplaatsen naar een ander weiland.

Mijn geheugen vertelt me dat ik niet veel langer was dan de schoft van die hele grote koe hoog was. Ik zal statistisch gezien ongeveer 12 jaar oud zijn geweest. De stadse ik keek zijn ogen uit. Later, jaren later, toen ik volgens de wet volwassen was, kreeg ik alsnog te horen dat de koe die ik aan een touw over de weg begeleidde zo mak was dat zij ook wel alleen en losgelaten achter de andere koeien aan was gelopen. Geeft niets, mijn jongere ik had een spannend avontuur beleefd.

Kip, we zijn het blijven eten. Vroeger hele kip in het ouderlijk huis, later kippenbouten en -poten. Tegenwoordig vaak kippendijen. Zo ook hier.

Opgebakken rijst en sticky stukjes kip. Allebei heerlijk. Hier de maaltijd daarom geïnspireerd door en losjes gebaseerd op een soort van combinatie van nasi goreng en de kip van generaal Tso, die hij nooit gezien heeft.

En een restant aan plakjes Zeeuws spek. Zeeuws spek wordt niet gerookt. Wel gepekeld, gemarineerd en vervolgens langzaam gegaard. Dat garen werd traditioneel gedaan door het te koken. Nu vaak via een grill. Dat hoor je op de verpakking te kunnen lezen. Zeeuws spek is anders dan alle andere soorten spek die ik ken. Lekker ook.

Lees Meer Lees Meer

Wachsbrechbohnen, haricot beurre en boterbonen

Wachsbrechbohnen, haricot beurre en boterbonen

De mensheid begint weer opnieuw de door hen zelf verzonnen kalender af te lopen. Want het is 1 januari 2026. Deze beide bloggers wensen iedereen veel lees-, kook- en eetplezier toe!

1 januari is ook de dag na oudejaarsdag, -avond en -nacht. Er wordt dan nogal wat afgefeest, gegeten en gedronken. Soms buitensporig veel. Niet iedereen begint het nieuwe jaar dan even fris. Wij zijn al tijden geen studenten meer, vies vol zitten van eten hebben we ook geen trek meer in, en nachtbraken doen we al lang niet meer. Katers, dat ligt tevens heel erg ver in het verleden, en dat houden we graag zo.

Dus in plaats van nieuwjaarsdag in bed door te brengen, gaan wij gewoon weer lekker koken. Gewoon weer iets nieuws verzinnen voor Reutel. Deze keer zwarte rijst én Wachsbrechbohnen, haricot beurre en boterbonen. Ligt er echter 1 van de hier genoemde bonen op je bord, dan heb je ze meteen alle 3 op je bord. Want het is echt allemaal hetzelfde. De Duitsers noemen ze Wachsbrechbohnen, de Fransen zeggen haricot beurre en wij kennen ze als boterbonen. Daarmee geven de Fransen en de Nederlanders ze in een andere taal dezelfde naam, en geven de Duitsers er een wat vreemde naam aan; breekbonen van Wachs, als in Bienenwachs, bijenwas, door de gele kleur.

Wij kennen ze als boterbonen, maar toch ook weer niet. Ze worden in Nederland namelijk nog wel geteeld, maar nauwelijks gegeten. Dat is echt heel erg jammer. Het is 1 van de zeer vele sperzieboon soorten, maar milder en delicater van smaak dan de welbekende groene sperziebonen. En die laatste vinden wij al heel erg lekker. Kan je nagaan. Het seizoen van boterbonen in Nederland loopt van juni tot eind september, maar het overgrote deel van de oogst gaat naar verluidt naar Frankrijk, waar haricot beurre zeer populair zijn. Net als haricots verts.

In mijn vroegste jeugd weleens gegeten, in het oostelijke deel van Nederland, daarna niet vaak meer eigenlijk. In westelijk Nederland zelden vers kunnen kopen. Bij een groenteboer op de markt die later uitlegde dat te weinig mensen ze kochten om ze voor hem op voorraad te hebben. Onbekend maakt ook hier onbemind. Hoe belandt het dan toch op onze borden. Antwoord: Duitsland.

Op een laatste vakantiedag in den vreemde vind je ons altijd terug in een grote supermarkt. De laatste keer was dat in Zuid-Duitsland. Een jaar eerder hadden we ze halverwege de vakantie al gezien. Maar de supermarkt die we toen op de laatste dag bezochten had ze niet. Balen was dat, echt wel. Deze keer in een andere supermarkt gelukkig wel. Niet vers, maar in glazen potjes. Second best, maar wel gekocht. Beter dan niets. Leve Schengen; veel boterbonen gratis geïmporteerd. Groenten in glas blijven bovendien lang goed. Daarom eten we vandaag Wachsbrechbohnen. De laatste 2 potjes in de voorraadkast.

Qua smaak zijn boterbonen subtieler dan groene sperziebonen. Anders dan bij groene sperziebonen mengen wij er daarom het liefst niets doorheen. Geen kruiderij, geen noten en geen kaas. Al is een klein beetje gerookte spek er wel lekker bij.

Als je boterbonen met pasta eet, dan vallen boterbonen helemaal niet op, door de kleuring. Voor contrast op de borden daarom hier zwarte rijst gekozen, met kippendijen.

In het oude China was zwarte rijst zo kostbaar dat alleen de heersers het mochten eten. Voor de rest van de bevolking was het letterlijk ‘verboden rijst’. Er zijn gelukkig inmiddels meerdere varianten van zwarte rijst. In 2015 is door Japanse wetenschappers bewezen dat het lang geleden begon met 1 mutatie van een gen van een rijstplant van de tropische japonica ondersoort. Die mutatie verspreidde zich daarna ook naar andere ondersoorten door kruisbestuiving met andere rijstplanten.

Koop je nu zwarte rijst, dan is helaas lang niet altijd duidelijk uit welk Aziatisch land die komt en van welke rijst ondersoort het is. Is het na het koken kleefrijst, dan heb je waarschijnlijk Thaise zwarte rijst. Is na het koken de rijst mooi droog, dan heb je waarschijnlijk een Chinese variant. Zeker is het echter niet. Maar beiden varianten zijn nog gezond ook.

Duitse vrienden, die van de Nussecken, meldden desgevraagd dat ze boterbonen samen met jonge sperziebonen eten, in een verhouding van 2:1. Dat hier overgenomen.

Omdat de Wachsbrechbohnen in glazen potjes zaten – de Duitse supermarkt had alleen glazen potjes en geen glazen potten – bij hoge uitzondering geen verse en stevige groene sperziebonen gekocht maar die in een glazen potje. Zodat de sperziebonen op de borden dezelfde wat slappere textuur hebben als de gele boterbonen uit een potje.

Lees Meer Lees Meer

… en erbovenop ligt balkenbrij

… en erbovenop ligt balkenbrij

Van balkenbrij kunnen wij wel door blijven eten. Dus leggen wij onszelf tegenwoordig een strakke limiet op. Per persoon mogen we maximaal 150 gram aan plakken balkenbrij opbakken en opeten per avondmaaltijd.

Die limiet werd vroeger volgens de medeblogger overigens ruim overschreden in ons ouderlijk huis: 1,5 kilo balkenbrij voor 4 personen was normaal. Maar dat was immer een maaltijd zonder enige andere ingrediënten, op voor ons beiden de ketchup na. Andere tijden.

Vroeger was balkenbrij een echte traktatie, ook al was het gemaakt van ‘afval’-vlees. Dat traktatie gevoel is bij ons nooit meer verdwenen. Balkenbrij is ook echt zo lekker dat het inderdaad zonder andere ingrediënten gegeten kan worden.

De medeblogger doet het nog steeds zo, maar ik dacht in kleinere hoeveelheden. Maar nee, terwijl dit blogje nog niet was gepubliceerd, meldde hij dat er 500 gram balkenbrij wordt genuttigd, wel na een lichte lunch. Iedereen zijn en haar eigen limiet. Balkenbrij, genieten!

Die 150 gram, maar dan in 1 centimeter dikke plakken, worden door het bakken krokant en ook nog iets lichter van gewicht omdat er vet uitloopt. Zeker bij Sallandse balkenbrij, waar stukjes spekvet in zit. Uiteindelijk is het dan minder dan 150 gram. Maar limiet is limiet.

Door die zelfopgelegde limiet van 150 gram houden we soms wel een restant balkenbrij over als het zelf gekochte of een gekregen stuk balkenbrij zwaarder is dan 600 gram. Dat overgewicht snijden we dan ergens in de dagen daarna in kleinere plakken dan normaal. Want.

Je hebt minder balkenbrij op je bord, maar het lijkt op het eerste gezicht meer, echte psychologie.  Getallen (als in hoeveel stukken) interpreteren menselijke hersenen anders dan groottes (als in hoeveelheden, i.e. volumes). Slimme truc, voor 2 personen deze keer, want slechts een restant balkenbrij aanwezig vandaag en niet de volle mep.

Sallandse balkenbrij, daar zijn deze 2 bloggers mee opgegroeid. Die vinden wij nog steeds heel lekker. Maar in de andere oorspronkelijke balkenbrij-regio’s zijn er andere soorten ontstaan. En daarom variëren wij tegenwoordig toch, waarbij we zeker profiteren van de reislust van de medeblogger, het moet geschreven.

Maar vandaag niet, Sallandse balkenbrij! Maar met wat? En dat wij het met andere dingen erbij eten, dat vindt de medeblogger dan weer raar. En wij dus niet.

Het was alweer een tijdje geleden dat we rijst aten werd opgemerkt. De keuze viel op basmati rijst.

Daarmee werd voor ons meteen een link gelegd met onze basmati schotel uit de oven, want die is lekker en eten we regelmatig. Die maaltijd als inspiratie genomen, én meteen veranderd.

De wat scherpere cajun kruiden eruit gelaten. We hebben al gekruide balkenbrij. Wel wat milde paprikapoeder toegevoegd.

De snijbonen vervangen door sperziebonen, een zeer populaire groente in ons huis.

In de groentela van de koelkast lag een restje kastanjechampignons. Al iets ouder, en niet meer zo mooi, dus die gaan we op een duxelles achtige manier behandelen. Onherkenbaar op de borden. Lijkt dan wel wat op geruld gehakt of tempeh qua uiterlijk, maar textuur en smaak zijn totaal anders.

Gehakt laten we daarom ook weg. De sjalot ook.

Kaas erdoor en een andere kaas erop. Dat handhaven we.

De oven laten we bijna helemaal weg. Het gaat bijna helemaal in pannen.

Alleen nog even onder de grill in de oven en je hebt nog steeds een kaaskorstje.

En dan de balkenbrij erbovenop.

Dat was het idee vooraf.

En daarmee werd het bijna een alles door elkaar maaltijd. Bijna, want de balkenbrij gaat erbovenop.

Lees Meer Lees Meer

3 soorten risotto, kippendijen, bimi en Grana Padano, én de invasie van Italiaanse flamingo’s

3 soorten risotto, kippendijen, bimi en Grana Padano, én de invasie van Italiaanse flamingo’s

Risotto. Heerlijk. We eten het zeer regelmatig. Waarbij een ruime meerderheid van onze gevarieerde risotto-maaltijden Reutel niet eens haalt.

Dat regelmatig risotto eten komt mogelijk in gevaar. En wel door flamingo’s. Vanaf 10 juli 2025 berichten steeds meer nieuwsbrengers over de invasie van flamingo’s in Italiaanse risotto rijstvelden.

Er waren al langer flamingo’s in de delta van de rivier de Po, aan de oostkust van de regio Emilia-Romagna. En wel in de provincie Ferrara, in een reservaat en regionaal park aan de kust. Dat het een reservaat is komt naar verluidt juist door de aanwezigheid van flamingo’s.

Sinds kort hebben ze zich ook meer landinwaarts gesetteld, middenin de risotto producerende omgeving van de provincie Ferrara. Zelfde provincie, dit keer niet aan de kust maar in de ondergelopen rijstvelden. Een perfect foerageergebied voor flamingo’s.

Van de late lente tot de vroege zomer staan de risotto rijstvelden onder water om de geplante rijstzaden te laten ontkiemen. En flamingo’s zijn dol op foerageren in een laagje water.

Ze eten de rijstplanten niet op, maar woelen in de bodem om onder andere larven, schaaldieren, wormen, insecten en algen op te eten. Door dat woelen ontkiemen zaden niet en blijven de rijstplanten niet overeind staan. Er worden oogstverliezen van 90% voorspeld. Daar wordt je als risotto-boer niet blij van.

Na de zomer staan de velden niet meer onder water, dus de flamingo’s zullen weer vertrekken. Komen ze volgend jaar terug? Niemand weet het nog.

Je kunt wilde flamingo’s ook dichter bij huis zien. Op het Flamingoinseln in het Zwillbrocker Venn, 700 meter over de grens, in Duitsland. Mooie wandelroutes en er staan kijkhuisjes. De 40 tot 50 flamingo’s verblijven er ongeveer van april tot en met juli. Wel een verrekijker meenemen, want het eiland ligt bijna 200 meter van de kijkplekken af.

Lees Meer Lees Meer