Archief van
Categorie: Rijst

Koken voor kinderen: aspergetips en tips

Koken voor kinderen: aspergetips en tips

Zonnig weer morgen. Eropuit! Zo is deze maaltijd ooit ontstaan.

Want aan het eind van zo’n eropuit-dag eten we meestal toch gewoon thuis. Fastfood heeft z’n charmes, zeker wel. Echter, in ‘echte’ restaurants eerst wachten tot je kunt bestellen, dan lang wachten tot het eten geserveerd wordt, dan pas eten, en dan nog door naar huis, dat vinden wij niet zo aantrekkelijk, qua tijd, na een dagje uit. Dus, als uitzondering op de regel, dan bedenken we dan wel de avond ervoor wat we de volgende dag ’s avonds gaan eten.

En dat werden groene aspergetips, gebakken rijst en kleine gehaktballetjes. Klein, zodat ze morgen snel kunnen worden gebakken. En ook nog ui en chipotle sauce. De rijst die avond al gekookt en in de koelkast gelegd. De gehaktballetjes gedraaid en ook in de koelkast gelegd. Na het dagje eropuit, eerst de rijst en gehaktballetjes op het aanrecht gelegd en toen pas gaan opschonen en omkleden. Kan het eten alvast een beetje op kamertemperatuur komen.

Met wat aanpassingen ook een geschikte maaltijd voor jonge kinderen, zo is gebleken.

Komen er kinderen mee-eten, dan doen we het iets anders qua logistiek. Zij mogen een uurtje voor het gaan eten de gehaktballetjes draaien. Vinden ze leuk. De rijst koken we nog steeds wel zelf de avond ervoor, want zonder een tijd in de koelkast geen gebakken rijst.

En de groene aspergetips? Tjsa, wij eten ze beetgaar. Koken voor maximaal 4 minuten in een laagje water. Maar beetgare groenten en jonge kinderen, dat ging niet samen. Dé truc. Kook de aspergetips 4 minuten, zet het vuur uit en laat de aspergetips nog 6 minuten in het water liggen. Boterzacht zijn ze dan.

Niet na die 4 minuten de nog beetgare aspergetips eruit halen voor de volwassenen als de kinderen nog in de keuken rondlopen. Als ze dat zien weten ze dat er iets verdachts met hun eten gaat gebeuren. Ook kinderen zijn slimme mensen.

Nog een truc? In de loop der tijd die laten-liggen-in-heet-water-minuten langzaamaan verminderen. Zo train je kinderen ongemerkt, zodat ze na een tijdje wel beetgare groenten eten.

Lees Meer Lees Meer

Portobello vol risotto, op een bedje van rucola

Portobello vol risotto, op een bedje van rucola

Kastanjechampignons zijn in supermarkten heel populair, gezien de hoeveelheid plastic bakjes gevuld met die champignons. In die bakjes zitten regelmatig grote exemplaren, met een diameter van zo’n 6 à 7 centimeter.

Portobello is een grote variant van de kastanjechampignon. Koop je portobello’s in de super, dan koop je er meestal 2 tegelijkertijd, ook al in plastic. Portobello’s starten daar met zo’n 7 centimeter diameter. Stiekem voor u gemeten in de door ons meest bezochte super. Na een paar keer meten, met uitleg aan diegene die verantwoordelijk was voor de groenteafdeling en even wilde weten wat ik daar deed, is de uitkomst: regelmatig 7 à 8 centimeter en soms 9 centimeter. Dat is niet echt veel verschil tussen grote kastanjechampignons en kleine portobello’s. Voor echt grote portobello’s gaan wij daarom naar de groenteboer. Dat levert portobello’s op met een diameter van ± 12 centimeter.

Portobello’s slinken niet veel tijdens het bakken, waardoor het kommetje met de kieuwen, aan de onderkant, mooi intact blijft. Ideaal om te vullen. En die kieuwen, die laten we echt wel zitten. Die leveren namelijk ook smaak. Haal je ze weg, dan wordt het kommetje wat dieper. Maar dat wordt het ook wel als je de vulling er stevig induwt. Kieuwen: laat ze zitten.

Portobello’s blijven net als kleine kastanjechampignons ook lang goed, tot wel 5 dagen in de groentela van de koelkast. Als je er voor zorgt dat er lucht bij kan komen, gek genoeg.

Zo kun je 5 dagen van te voren bedenken dat je over 5 dagen restjes paddenstoelen over hebt, die nog steeds mooi en stevig zijn. Dat lukt ons met bijvoorbeeld witte champignons nooit. De worden zeker vanaf dag 3 vaal en krijgen rare plekken. Vandaar dat we wel bijna altijd een variant van kastanjechampignons in voorraad hebben, maar bijna nooit witte champignons.

Portobello’s halen we in huis voor het visuele aspect van een maaltijd, als soort van versiering.  Of heel gelaten of in lange dikke plakken gesneden. Hier heel gelaten en gevuld met knoflook, risotto en ui.

Lees Meer Lees Meer

Italiaanse risotto, vlees, kaas en wijn, met salade

Italiaanse risotto, vlees, kaas en wijn, met salade

Is de Italiaanse keuken gevarieerd? Het antwoord kan ja luiden. De Italiaanse keuken is namelijk eigenlijk de som van de vele regionale keukens. Italië kent nogal wat regio’s, ook al door de geschiedenis van het land. En al die keukens zijn mede daardoor allemaal net iets anders, door gebruik van de lokale producten en verse ingrediënten.

Bovendien is die Italiaanse keuken een thuis-kook keuken, ook wel ietwat denigrerend de arme-mensen-keuken genoemd. In Italië is de mama nog steeds de bewaarster van de klassieke gerechten.

Niet voor niets is het kookboek La Scienza in cucina e l’Arte di mangiar bene (de wetenschap in de keuken en de kunst van goed eten), uit 1891 van de hand van Pellegrino Artusi, naar verluidt nog steeds het meest gelezen kookboek. Omdat het de nadruk legt op het gebruik van verse producten door gewone mensen, voor die arme-mensen-keuken.

Is de Italiaanse keuken gevarieerd? Het antwoord kan ook nee luiden. Er zijn dan wel veel verschillende gerechten, maar o wee als je daar iets aan veranderd. Zeker als die gerechten een eigen naam hebben, kan je in Italië zelf beter geen risico nemen. De kookkunsten van de mama’s, daar kun je uit respect natuurlijk ook niets meer aan veranderen of verbeteren. Onze Italiaanse vrienden bevestigden; iets nieuws verzinnen, dat kan en dan wordt er meteen over gediscussieerd, iets bestaands veranderen, nee. En als een kookboek uit 1891 nog steeds het meest gelezen kookboek is, dan zegt dat ook wat over vernieuwingen in de keuken.

De naar Amerika geëmigreerde Italianen, die bedachten wel nieuwe variaties op bestaande recepten. Mogelijk omdat de mama’s in Italië bleven? Het gevolg is dat veel recepten die in populaire tijdschriften staan en Italiaans genoemd worden, feitelijk recepten zijn die in de V.S. zijn ontstaan, wel vaak in keukens waar Italiaans werd gesproken. Een voorbeeld is de Amerikaans-Italiaanse stromboli, de opgerolde pizza zonder tomaat.

Heb je De Zilveren Lepel in je boekenkast staan, net zoals wij, uit de tijd dat we nog wel kookboeken kochten, dan heb je meteen een groot deel van de Italiaanse keuken in bezit. De Zilveren Lepel wordt wel de klassieker onder de klassieke kookboeken genoemd. De oorspronkelijk Italiaanse titel is Il Cucchiao d′Argento. De Zilveren Lepel is opgedeeld in gangen, en per gang zijn er hoofdstukken. Bij de gerechten staat duidelijke uitleg en de foto’s zijn prachtig.

Toch is het een uitermate onhandig boek. Zwaar, groot en lijvig: in onze boekenkast ligt een exemplaar met 1503 bladzijden. Zoiets leg je niet op een aanrecht of neem je mee als je ergens anders gaat/moet koken. Gelukkig kan je tegenwoordig met je mobieltjes foto’s maken van de recepten, voor later gebruik in een keuken. De Zilveren Lepel, eigenlijk is het geen kookboek, maar veel meer een naslagwerk, een encyclopedie. Als je 1 recept per dag zou maken, dan eet je ongeveer 5,5 jaar lang elke dag iets anders.

Onderstaande recept is niet uit De Zilveren Lepel gehaald. De inspiratie wel, door de keuze van de ingrediënten. Italiaanse ingrediënten, makkelijk te krijgen in Nederland, aangevuld met Nederlandse roomboter en groentebouillon.

De keuze van de wijn, daar ging mijn wederhelft over. Er zijn veel te veel wijnen om uit te kiezen. Dat laat ik daarom graag over aan de expert in ons huishouden. Ik hoef alleen maar te vertellen welke smaak en nasmaak ik wil beleven. En ik krijg een wijnnaam terug.

Lees Meer Lees Meer

Als kikkerdij naar kip smaakt, neem dan kippendij

Als kikkerdij naar kip smaakt, neem dan kippendij

Lang geleden, toen we veel meer aan sport deden dan tegenwoordig, en ook veel meer soorten sport beoefenden, keken we vooral uit naar het eten, na dat sporten, in 1 specifiek sportrestaurant. Ik kan het woord sportkantine niet gebruiken, want daarvoor had de kok veel te veel ambitie.

Daar dus regelmatig slakken gegeten en ook 1 keer kikkerbilletjes. Die slakken hadden wel een dikke knoflooksaus nodig om echt lekker te zijn. Maar goed, wel regelmatig besteld dus.

Die kikkerbillen waren heel snel weer van het menu af. Het smaakte ongeveer als kip, en als je blind proeft roep je ook direct, kip. Al snel had iemand de keuken ingelicht over de gebruikte slachtmethode van die uit Frankrijk geïmporteerde kikkerbilletjes. Sindsdien hebben wij geen kikkerbilletjes meer gegeten, ook niet in Frankrijk.

Cuisses de grenouilles staat op de Franse verpakking, kikkerbilletjes. Maar cuisses betekent ook dijen in het Frans. Je eet dus eigenlijk de kikkerdijen op, en niet puur de billen, tenminste als je wat minder scrupuleus bent en nu nog steeds delen van kikkers opeet. In het restaurant werden de kikkerbillen al snel vervangen door drumsticks, van kippen.

Kikkers en padden hebben het wereldwijd moeilijk. Wij hebben zowel padden als kikkers in onze tuin. En wel de gewone pad (van de toad in the hole) en de groene kikker, what’s in a name. We laten ze met rust, ook al kwaken sommige mannetjes tijdens de paartijd vrij hard, indringend en lang.

Maar goed, vegetariër zijn we niet, flexitariër wel, vlees eten we met enige regelmaat. Maar dan wel vlees van dieren waar er wel genoeg van zijn. In dit geval kippen. Alle kippen die productie-eieren leggen, leven in Nederland binnen met velen op weinig ruimte.

Je hebt scharrelkippen, die binnen blijven, vrije uitloop kippen, die binnen iets meer ruimte hebben en naar buiten mogen, en biologische kippen, die nog wat meer ruimte hebben en ook nog op stok mogen. Toch hebben ze alle 3 flink minder ruimte dan die kippen bij de kippenboer van mijn grootouders. We kiezen daarom vaak biologische eieren, al loont het wel degelijk om even na te gaan welke winkel ze het goedkoopst heeft terwijl de eieren toch lekker zijn. Het prijsverschil en het smaakverschil is namelijk nogal groot.

Lees Meer Lees Meer

Chicken tikka masala: Engeland’s nationale gerecht

Chicken tikka masala: Engeland’s nationale gerecht

In de lijst van Engelse nationale gerechten staat steevast chicken tikka masala, een waarschijnlijk/mogelijk Engelse uitvinding uit de 2e helft van de vorige eeuw, misschien gebaseerd op het Indiase/Pakistaanse gerecht chicken makhani, kip met boter, oftewel boterkip. Tomatensaus toevoegen en je hebt chicken tikka masala? De meningen zijn zeer verdeeld over de oorsprong van het gerechtje. Dat gaan wij hier niet oplossen.

Waar wij in Engeland woonden, alweer vele jaren geleden, was dichtbij een voortreffelijk Pakistaans restaurant. Je kon er chicken tandoori masala krijgen en chicken tikka masala. De tandoori was met een grote kippenpoot, en de tikka bevatte kleine stukjes kip. Maar meestal verwijst tandoori naar de kookwijze. Een tandoor is een grote oven gemaakt van klei die temperaturen tot een kleine 500°C kan realiseren. Vlees wordt daarin heel snel dichtgeschroeid en blijft daardoor heel erg sappig. Thuisgemaakte chicken tikka masala is daarmee altijd slechts een benadering van het echte ding, en desondanks erg lekker.

Eten in een Pakistaans restaurant was ook onze eerste kennismaking met de yoghurtdrank lassi. En wel hierom. De allereerste keer viel namelijk op dat bijna alles in 5 versies kon worden besteld: very mild, mild, medium, hot en very hot. Wij kenden onze kruidige Chinees in Nederland, dus we dachten, very hot dat is vast wat te pittig, laten we gewoon de hot doen.

Nadat het de vriendelijke ober duidelijk was geworden dat we nooit eerder in een Pakistaans restaurant waren geweest, haalde hij er toch maar zijn vader bij om ons ervan te overtuigen dat het misschien beter was om met de very mild versie te beginnen. Na ampel beraad daarom gewoon voor de hot gekozen. Wie vertelt een Nederlander in den vreemde wat hij moet doen niet waar.

Toen onze kleurrijke maaltijd werd geserveerd, viel op dat er niet eens zoveel eten op ons bord lag. En dat het keukenpersoneel ineens in het eetgedeelte stond. En dat ze toch wel veel onze kant opkeken. Nog enigszins naïef dachten wij dat dit kwam omdat wij op dat moment de enige mensen waren in het restaurant zonder een directe link met Pakistan, maar nee.

Na de eerste hap bleek een paar seconden later waarom ze toch echt voor ons uit de keuken waren gekomen. We kregen wel meteen hulp om wat verkoeling te krijgen, lassi.

Na bijgekomen te zijn brachten ze ons al snel een very mild versie in ruime hoeveelheden. Nog steeds flink wat sterker dan onze toch niet zo kruidige Chinees in Nederland, maar veel beter te behappen. We zijn nog heel vaak teruggegaan naar hetzelfde authentieke restaurant en werden elke keer met een toch wel brede lach op het gezicht van de obers herkend en welkom geheten. Maar tot de very hot versie zijn we nooit geraakt.

Masala betekent simpelweg kruidenmix. Er is daarmee niet één type chicken tikka masala. Zo kan de kleur geel, rood of bruin zijn en alles wat daar tussenin zit. Wij aten altijd een rode versie in het restaurant op loopafstand. De masala kan ook nog eens een dikke saus zijn, of een waterige saus.

Hier zijn we lui, want vermeend tijdgebrek. Iemand riep namelijk een uur voor etenstijd tikka masala. Dat gaat hem dus niet worden. De kip kon niet meer de avond van te voren gemarineerd worden in een tikka-smeersel van bijvoorbeeld yoghurt, geperste knoflook, gember, citroensap, chilipoeder, paprikapoeder, korianderpoeder en komijnpoeder. Hoeveelheden naar smaak natuurlijk.

Dus chicken tikka masala gemaakt zonder de tikka-marinade. Wil je ook de tikka-marinade erbij, volg dan gewoon 1 van de miljoenen al bestaande recepten, bijvoorbeeld die van de BBC, in de sectie The Nation’s Favourite Food. Hoewel die een beetje vals speelt door een kant-en-klare marinade te gebruiken.

Lees Meer Lees Meer

Tteokbokki met gehakt

Tteokbokki met gehakt

Tteokbokki schijnt het ultieme Koreaanse streetfood te zijn. Wie wel eens tteokbokki heeft geproefd, zal daar niet verbaasd over zijn. Rijstcakes (tteok) in een hartige, spicy saus. Je kunt ervan blijven eten totdat je helemaal vol zit. Het gerecht is een variant op het traditionele gungjung-tteokbokki, een gerecht uit de koninklijke keukens van Korea.

Tteokbokki draait om de textuur van de rijstcakes en gochujang, een pasta gemaakt van rode pepers, (kleef)rijstmeel, gefermenteerde sojabonen en zout. De geur van rauwe gochujang is vooral die van gedroogde pepers, maar tijdens de bereiding verandert die geur en ook de smaak. Met de toevoeging van een beetje suiker is het gerecht zoet, pittig, zout en hartig tegelijk. De werking van umami in optima forma.

Naast gochujang wordt ook gochugaru toegevoegd, grofgemalen pepervlokken die over het algemeen redelijk mild zijn. Er zijn vele varianten van tteokbokki met verschillende ingrediënten, zoals rode bonen, pompoen, gedroogd fruit, honing of sesamzaad. Maar de eenvoudige versie is het meest populair.

De rijstcakes voor tteokbokki zijn eenvoudig. Je kunt ze ook zelf maken van water en (kleef)rijstmeel. Door het deeg eerst te stomen en daarna langdurig te kneden komen gluten vrij die het deeg elastisch maken. Van het deeg maak je vervolgens slierten die of in schuine plakjes worden gesneden of in cilindervormige stukjes. De plakjes worden gebruikt voor soep en de cilinders voor tteokbokki. De dikte van de cilinders kan overigens variëren. De textuur is chewy, een goed Nederlands woord is er niet voor. Door de rijstcakes wordt de saus tijdens de bereiding langzaam gebonden.

De basis van echte tteokbokki is een bouillon van gedroogd zeewier en gedroogde ansjovis. Nu is dat laatste nog een beetje buiten mijn comfortzone. Dus ik kies voor dashi, een Japanse bouillon van bonitovlokken en kombu. Niet helemaal hetzelfde, maar wel een passend alternatief. Bovendien kleed ik de tteokbokki aan met gehakt en enoki, zo mooi fluweelpootje in het Nederlands genaamd. Deze paddenstoel doet het goed in elke Aziatische soep, maar ook in een hotpot.

Eventueel kun je nog een flinke hand spinazie toevoegen. Tegelijk met de enoki. Voor een optimaal resultaat dan wel de steeltjes verwijderen van de blaadjes. Dat klusje betaalt zich uit!

Lees Meer Lees Meer

Duxelles, sugar snaps, bacon én Reypenaer

Duxelles, sugar snaps, bacon én Reypenaer

Reypenaer is een hele speciale Nederlandse kaas. Daar hoort in deze maaltijd een speciale bereidingswijze van paddenstoelen bij: duxelles.

Duxelles, ook wel geschreven als duxelle, zijn fijngehakte paddenstoelen met fijngehakte uien en/of sjalotten en diverse kruiden. Schrijf je het midden in een zin met een hoofdletter, dan hang je impliciet de onbewezen theorie aan dat het in 1644 (?) is vernoemd naar de Franse Marquis d’Uxelles, door zijn eigen kok, Francois Pierre de la Varenne. Die nu wordt gezien als een grondlegger van de moderne Franse haute cuisine [1]. Onbewezen, we schrijven duxelles.

Een allereerste keer geproefd toen het al was klaargemaakt. Toen niet geraden dat het van paddenstoelen was gemaakt. En dat terwijl er veel paddenstoelen op ons menu staan. Dat opent deuren. Laten proeven door eters die meldden echt geen paddenstoelen te lusten.

Duxelles, het is gewoon een bijzonder lekkere manier om paddenstoelen te serveren. Want duxelles zijn smaakbommetjes. Anders dan bij in schijfjes gesneden paddenstoelen, zijn hier veel meer celwanden van de paddenstoelen kapot. Bijna alle water verdampt tijdens het bakken. Wat je overhoudt is een soort van essence van paddenstoelen. En dat is bijzonder lekker. Totaal anders van smaak dan gebakken of gestoofde paddenstoelen, heel of in schijfjes.

Duxelles kan je in veel gerechten gebruiken. Het bekendst is waarschijnlijk het gebruik in Beef Wellington. In sauzen doet duxelles het ook altijd goed. Of gewoon, bovenop een rijstmaaltijd. En dat is aan deze kant van Reutel dan regelmatig risotto. Of je nog een roomsoort en/of tomatenpuree of -concentraat toevoegd is aan de kok. Hier wel gedaan.

Duxelles heeft een aparte en stevige smaak. Daar past een stevig in zijn schoenen staande kaas bij. Reypenaer XO Reserve bijvoorbeeld. Dus.

Lees Meer Lees Meer

Limburgse balkenbrij met risotto en cheddar

Limburgse balkenbrij met risotto en cheddar

Mocht ik ooit in mijn eentje op een onbewoond eiland moeten belanden, maar van tevoren nog wel mogen kiezen wat ik als enige ingrediënt zou willen eten al die dagen dat ik op zo’n eiland moet verblijven, dan kies ik voor knapperig gebakken balkenbrij. Echt wel! Wel die uit Salland, natuurlijk. Vlees, kruiden en meel, daar moet je een tijdje op kunnen overleven als er op het eiland zelf zoet water is te vinden. Beetje smokkelen, dat wel, want balkenbrij bestaat dus zelf al uit meerdere ingrediënten. Hadden ze mij maar niet op een onbewoond eiland moeten neerzetten.

Medeblogger op bezoek. Hij ging voor ons koken. Dat werd dus heel lekker eten. Wij mochten alleen voor het toetje zorgen. Meldde de medeblogger ineens dat mijn recepten met balkenbrij op Reutel eigenlijk ‘niet echt’ waren, want de balkenbrij was niet zelf gemaakt. En als een soort van bevestiging gaf hij mij direct een blok Limburgse balkenbrij cadeau! Gekocht in Limburg zelf. En dat terwijl hijzelf zo dol is op balkenbrij.

Limburgse balkenbrij. Balkenbrij: dat iets dat er niet aanlokkelijk uitziet zo ontzettend lekker kan zijn. Hier een bijna kubus van 6,5 cm x 6,5 cm x 7,5 cm ≈ 317 cm3 aan balkenbrij. Met een gewicht van 350 gram. Dat levert normaal gesproken 3 porties op.

Balkenbrij is inderdaad nog niet met de medeblogger gemaakt, want dat is een erg bewerkelijke en tijdrovende klus. Maar wacht, die woorden ‘niet echt’, geldt dat dan ook voor aangekochte kant-en-klare kruidige worsten? Daarna meldde hij ook nog losjes dat al die risotto gerechtjes op elkaar leken. Wat natuurlijk niet zo is. En dat ik wat veel risotto gerechtjes had. Daar heeft hij misschien wel een beetje gelijk in. Hoewel de medeblogger er zelf ook 1 heeft gepubliceerd: risotto nero con le seppie. Dat is zelfs het eerste op Reutel gepubliceerde risotto recept.

Balkenbrij en risotto, allebei favoriet in ons huishouden. Dus. Voor de eerste keer Limburgse balkenbrij gebakken en gegeten, met bloed, en voor de zoveelste keer risotto, net weer iets anders klaar gemaakt. Noem het geen recept, maar een smaaktest. Knapperig gebakken bloedworst is ook heerlijk, dus Limburgse balkenbrij, kom maar op.

Lees Meer Lees Meer

Risotto al pomodori met nog herkenbare tomaten

Risotto al pomodori met nog herkenbare tomaten

Er zijn weleens van die, hopelijk korte en sporadische, tijden waarin een expert aan iemand meldt even alleen zachte maaltijden te eten. Meestal na bezoek aan een kaakchirurg of tandarts. Verwijderen van verstandskiezen is een beruchte oorzaak. Er werd verteld dat de arts soep en pasta als voorbeelden noemde. Op zich geen straf dus. Daarom geen geroosterde pijnboompitten in deze maaltijd, hoe goed die er ook bijpassen. Want luisteren naar dringend advies moet. De mond bepaalt namelijk de textuur en smaak van het eten. Het aroma doen we met de neus. Zacht gemaakte ingrediënten dus. Startpunt is zachte en romige risotto.

Meestal komt risotto al pomodori neer op zoveel tomatensaus dat de risotto zwemt in die saus. Regelmatig op de rand van wat beter een goed gevulde tomatensoep met rijst zou kunnen heten. Doen we hier niet, ondanks het soep advies. Het gerechtje wordt ook vaak risotto al pomodoro genoemd. Risotto met tomaat. 1 tomaat? Beter is risotto al pomodori, risotto met tomaten. Meer dan 1 tomaat. Verhitten maakt tomaten zacht.

Met tomaten in Nederland is wel wat aan de hand de laatste tijd. Ze worden namelijk door selectie tijdens de kweek bewust steeds zoeter gemaakt. Mogelijk gestart met de introductie van honingtomaatjes in 2009, zien we nu veel meer en verschillende soorten kleine tomaatjes in de schappen liggen met expliciete kreten als fris zoet, volzoet en extra zoet op de verpakking. Men is doorgeschoten. Zoeter dan bijvoorbeeld de honingtomaat hoeft echt niet. Als we dat willen dan doen we wel direct wat suiker in de maaltijd. Bovendien, bij verwarmen van tomaten verdwijnt het zuurtje, en de zoetheid komt vanzelf bovendrijven.

Wat gaat er nog meer bij dit gerecht? Ook even lettend op de uiteindelijke kleuren op de borden.

Als eerste buffelmozzarella. En dat geeft meteen de mogelijkheid om nog wat extra smaak aan de risotto toe te voegen. Water in de mozzarella-verpakking heeft namelijk vaak een licht zilte en kazige smaak. Lekker. Tenminste als er echte wei inzit. Als op de verpakking staat dat het pekelwater is, dan is het gewoon water met veel zout, niet gebruiken. Als het wat wittig water is, met vaak nog wel wat extra toegevoegd zout, dan wel gewoon gebruiken.

Vervolgens pittige, bijna witte Gruyère. En natuurlijk risotto. Vialone Nano dit keer. Gecreëerd in 1967, door de kruising van de risottosoorten Vialone en Nano. Ongekend succesvol, want het wordt naar verluidt samen met soorten Carnaroli en Maratelli als de top 3 van de Italiaanse risotto’s beschouwd.

Voor het vlees, extra smaak als uitgangspunt genomen. Filet d’Ardenne. Een Ardense ham die gemaakt wordt van de ontzwoerde en ontvette bovenbil van een varken. En daardoor bijna geen vet bevat. Gedroogd met een mengsel van pekelzout, koriander, tijm en nootmuskaat. Daarna gerookt met beukenhout en jeneverbessen, en dan weer gedroogd. En dat proef je op je bord. Een hele mooie rooksmaak, door de manier van bereiden.

Basilicumblaadjes, uiteraard. Frisgroen bovenop. Donkergroen als het is gemengd door de risotto.

En dan als finishing touch én fusionelementje voor al die Italiaanse keuzes, oestersaus.

Lees Meer Lees Meer

Carnaroli risotto, groene asperges en kippendijen

Carnaroli risotto, groene asperges en kippendijen

Zou je mensen die asperges eten, vragen om een aspergeplant te beschrijven of zelfs te schetsen op papier, dan is de kans groot dat ze je het antwoord schuldig moeten blijven. Vast iedereen heeft wel eens akkers gezien, in het echt of op TV – als je de grote stad nooit verlaat – waar lange rijen van zandverhogingen, ruggen geheten, afgedekt zijn door even lange rijen plastic. Donker is het in de grond; die asperges blijven wit. Of akkers waar helemaal niets op lijkt te groeien, behalve wat nog lage stengels: de groene asperges. Die jonge scheuten worden geoogst, de akkers blijven een tijd vrij kaal. Blijft een apart gezicht.

Aspergeplanten blijven blijkbaar zo’n 10 jaar staan. Vanaf het 3e jaar worden asperges geoogst. Traditioneel werd de Nederlandse asperge geoogst vanaf de tweede donderdag van april, een traditie, tot 24 juni, een noodzaak. Wat er zo speciaal is aan 24 juni? 24 juni heeft wel wat eigen referenties, maar de link naar asperges is onduidelijk. Mijn eigen gedachten gingen onmiddellijk naar de langste dag van het jaar. Zo is de dag met het langste hoeveelheid daglicht rond 21 juni. Eerder komt voor, maar ook 23 juni komt wel voor. Dus tot 24 juni betekent dat je dan zeker weet dat de langste dag is geweest? Tegenwoordig worden overigens vanaf half februari asperges aangeboden. Die komen uit de kas. En ruim na 24 juni verse asperges eten uit Nederland? Die zijn dan van aspergeplanten die gerooid gaan worden; die hoeven geen reserve meer op te bouwen voor de volgende winter.

Voor 24 juni oogsten, na 24 juni mag de plant aansterken voor de winter. Voor oogsten en aansterken het jaar keurig in 2 tijdvakken verdeeld voor de aspergeplant. Aspergeplanten die dan op de akkers staan worden naar verluidt tot 1,8 meter hoog, met eerst alleen fijne bladeren, dan met witte bloemen en daarna rode bessen. Als je ze eenmaal herkent, vergeet je ze niet meer en kan je ze wel beschrijven en tekenen op papier.

De oud Romeinen kenden de asperges al; ze hebben ze echt gecultiveerd. Plinus de Oudere vond dikke asperges niet lekker. En veel van de wonderschone verhalen rond asperges in het Romeinse rijk zijn gewoon verzonnen. Ook voor het bestaan van die speciale aspergevloot van keizer Augustus kan ik geen historische bron vinden.

Asperges waren zeker heel populair in het oud Romeinse Rijk. Welgestelden sneden ze met een mes waar de bronzen heft uit een gedetailleerde 3-D afbeelding van het top-gedeelte van een aspergestengel bestaat. Ook in Woerden is zo’n heft gevonden. Asperges reisden met de oud Romeinen mee. En dat zal de reden zijn waarom in Groot-Brittannië de groene asperges zo populair zijn, nog steeds. Dat heft van het mes lag overigens waarschijnlijk niet zo gemakkelijk in de hand; veel te ruw met die uitstelsels.

Als wij een bos groene asperges kopen, dan zitten daar regelmatig 2 elastiekjes omheen, ook bij de groenteboer. Een al qua gewicht afgemeten hoeveelheid. Een elastiekje onderaan de bos en een elastiekje bovenaan de bos. En laten er nu reliëfs bestaan uit het oud Romeinse Rijk dat een bosje asperges op precies dezelfde manier samenbind, maar dan met touwtjes. Langere bosjes kregen overigens 3 touwtjes, kortere maar 1 zo te zien op de vele reliëfs die er nog zijn, bijvoorbeeld in Pompeii.

Naast de groene en witte asperges, zijn er ook paarse en groen-paarse asperges. En volgens de nu geldende Europese regels, is dat het, meer zijn er niet. Paarse asperges smaken wat meer naar noten en zijn wat zoeter. Ik ben er overigens niet van overtuigd dat alle groene asperges die je kan kopen in supers ook daadwerkelijk groene asperges zijn volgens de Europese regels. Het lijken regelmatig groen-paarse asperges te zijn. Geeft op zich niet, lekker zijn ze.

Lees Meer Lees Meer