Archief van
Tag: Nederland

Streekgerecht: Kamper steur – Eieren met mosterdsaus

Streekgerecht: Kamper steur – Eieren met mosterdsaus

Een eenvoudig, maar smakelijke variant op gekookte eieren. En een gerecht met een verhaal.

De oudste opgeschreven versie van het verhaal over de Kamper Steur is van de hand van Jan Jacob Fels, een schilder annex dichter annex houthandelaar uit Kampen. In 1852 bracht hij onder de schuilnaam ‘Kampenaar’ een bundel berijmde Kamper stukjes uit, waarin vooral de spot werd gedreven met de lokale bewoners. Een van die stukjes ging over een bisschop die de stad Kampen zou bezoeken. Een Franse kok werd binnengehaald om een genereuze maaltijd te bereiden, waarvoor in de IJssel een steur werd gevangen om in wijn gekookt te worden. Echter de bisschop werd ziek en het bezoek moest worden uitgesteld.

Toen, zegt men, kreeg op hoog bevel
Die steur een schelband om,
En werd zijn kerker losgezet;
Waarna het dier weer onverlet
Luid klinkend henen zwom.

De bel diende om de vis weer te kunnen vinden wanneer de bisschop hersteld zou zijn van zijn ongerief. Helaas, de steur was bij het uitgestelde bezoek van de bisschop niet te vinden en volgens een late herdruk van het kookboek Aaltje de volmaakte en zuinige keukenmeid, voor het eerst verschenen in 1804, werd een gerecht bedacht dat bestond uit 8 gekookte eieren, 3 lepels slaolie, 1 lepel azijn, 2 theelepels fijngehakte peterselie en 2 theelepels mosterd. De eieren werden gehalveerd en van de overige ingrediënten werd een saus geklopt. De naam van het gerecht: Kamper Steur.

Het verhaal dat in 1919 door J. Cohen werd vastgelegd in zijn boek Nederlandsche Sagen en Legenden II verschilt nauwelijks van de versie van Fels.

De versie van Cohen

Als de stad Kampen een belangrijke ridder met zijn grote gevolg verwacht, schakelt het bestuur van de stad de beste kok in die ze kunnen vinden.

Hij wist, wanneer een haas adellijk genoeg was, en als hij een stuk boter in de heete pan wierp — schijnbaar-achteloos gelijk een waarachtig kunstenaar — verspreidde dit sissend en smeltend een geur, liefelijker dan de huid van een blond, zestienjarig maagdeke, de adem van roos en jasmijn tezaam. […] Wist hij niet de kracht van alle kruiden en toevoegsels, van de foelie, van de thijm, ban de peper en de laurier, van de kaneel en de vanille, van de anijs en het maanzaad, van de komijn en de mosterd, van de citroenschil en de kerry, en wist hij niet al de smaken aanéén te dichten als jamben en anapesten en hexameters der kookkunst? welk een man!

De kok verzon een uitgebreid gangendiner, waarbij het hoogtepunt gevormd zou worden door de steur en haar kaviaar. De ridder meldde zich echter ziek en aangezien de steur niet in gevangenschap kon leven, werd deze weer vrijgelaten in de IJssel. De reusachtige vis werd terug gezet met een snoer met bellen aan zijn lichaam, zodat ze hem snel weer zouden kunnen vangen als dat nodig was. Maar de steur verdween spoorloos en toen de ridder beter was geworden en alsnog afreisde naar Kampen moest de kok noodgedwongen nieuwe gerechten verzinnen. Nog lang zouden de inwoners aan de waterkant luisteren of ze in de diepte van de IJssel een bel konden horen rinkelen …

Geen van beide auteurs rept echter zelf over de eieren met mosterdsaus. Het verhaal komt op zich niet helemaal uit de lucht vallen blijkt. Uit het Kamper stadsrecht Dat gulden boek van omstreeks 1400, blijkt dat men gevangen steuren aan een touw liet zwemmen in de IJssel. Verhalen over een vis die met een bel omgehangen vrijgelaten wordt, kennen we ook uit andere landen. Het thema is dus algemeen.

Hoe het ook zij, de kaviaar is weliswaar wat groot uitgevallen, het gerecht is snel gemaakt voor een lunch maaltijd.

Lees Meer Lees Meer

Peanut butter cookies, again

Peanut butter cookies, again

Een gezinslid was jarig en die wilde ’s avonds de spinazie-gehaktballen maaltijd en na het ochtend-gebak, ’s middags wel pindakaaskoekjes. Een ander was later jarig en die wilde ook wel pindakaaskoekjes, en ’s avonds een pasta met spek-en-room maaltijd. Zo gaat dat als je van lekker eten houdt en jarig bent.

Al eens eerder over geschreven, pindakaaskoekjes. Gemaakt op de klassieke manier, met een recept uit de VS, die wel uitliepen, én gemaakt op een andere manier, die niet uitliepen. Dat was toen een beetje onbevredigend, ondanks dat beide soorten koekjes wel degelijk als lekker werden bestempeld.

Amerikaanse pindakaas is anders dan de Nederlandse. Nog smeerbaarder en wat lichter van kleur. Er wordt daar ook nog suiker aan toegevoegd. Die Amerikaanse kun je zelf proberen, want naast de Calvé pindakaas zijn er veel meer potjes pindakaas te koop in de supers. En daar staat soms ook het Amerikaanse merk Jif tussen. Andere merken die in de VS boven komen drijven in smaaktesten zijn Teddie, Skippie en Santa Cruz Organic. Waar Jif de minste hoeveelheid aan toegevoegde suiker schijnt te hebben. Aan het oermerk Calvé Pindakaas wordt geen suiker toegevoegd.

En heb je aan al die verschillende pindakaasmerken en -soorten niet genoeg? Dan kun je altijd nog een winkel van De Pindakaaswinkel bezoeken. Inmiddels in 8 steden te vinden, waarbij Amsterdam met de 3 vestigingen koploper is, gevolgd door 2 vestigingen in Rotterdam. Zelfgemaakte pindakaas naturel of met allerlei smaakmakers erdoorheen. Zo heb je nog veel meer keuzes aan pindakaas.

Dus nog een keer pindakoekjes gemaakt, op een andere en zelfverzonnen manier. Ingrediënten en hoeveelheden tijdens het maken bedacht. En dan maar afwachten hoe het uitpakt. Met daardoor uiteindelijk een iets andere lijst en hoeveelheden van ingrediënten dan de vorige 2 recepten.

Amerikaanse pindakaas is geen Nederlandse pindakaas, dus echt namaken kan sowieso niet als je het verzoek krijgt om Nederlandse pindakaas van het oermerk te gebruiken. Het blijven daarmee Nederlandse pindakaaskoekjes. Want koekjes maken, daar kan niets fout gaan. Het kan wel anders uitpakken dan a priori bedacht, maar niets fouts.

Lees Meer Lees Meer

Hollandsche rode curry soep met visballetjes

Hollandsche rode curry soep met visballetjes

Koken gaat om wat je lekker vindt. En ik vind een hoop lekker … Mijn voorkeur gaat doorgaans uit naar de Aziatische keuken, maar maak net zo lief iets uit Mexico, de V.S. (niet alles!) of Suriname. Hoewel ik toegeef dat de kans dat een Surinaams gerecht zijn oorsprong heeft in Azië vrij groot is.

Over het algemeen vind ik het leuk om dichtbij het oorspronkelijke recept te blijven en smaken te ontdekken die we hier niet gewoon zijn. Dat zorgt overigens wel eens voor uitdagingen als het gaat om de juiste ingrediënten. Niet alleen bij sommige Aziatische recepten, maar eigenlijk nog meer bij Mexicaanse recepten. Het is echter ook leuk om je eigen gang te gaan.

Met een beetje kruiderij kan je je soep bijvoorbeeld behoorlijk pimpen. Neem nu de oerhollandse groentesoep. Op zich overigens al een smakelijke soep, maar met een eenvoudige twist verras je de eters. Het enige wat je nodig hebt is Thaise rode currypasta en visballetjes.

Optie 1 is de currypasta bij de toko kopen. Binnen 30 minuten heb je de soep op tafel staan.

Optie 2 is de currypasta zelf maken. Dat is de eerste keer een klein beetje werk, maar je voorraad bewaar je in porties in de vriezer. Zo maak je in het vervolg zelf snel en makkelijk je curry’s. Of je soep dus. De visballetjes kun je uiteraard ook zelf maken, maar ik geef toe dat het gemakkelijk is ze uit de vriezer bij de toko te vissen.

Het eerste deel van dit recept kun je overslaan als je zelf al een currypasta hebt, zelfgemaakt of uit de winkel.

En soepgroente kun je natuurlijk zelf samenstellen, maar soms is makkelijk ook fijn als je weinig tijd hebt. Neem dan verse soepgroente van de groenteboer of uit de diepvries. Meestal voeg ik nog een restje groente toe dat ik toch heb liggen. Zoals nu een prei.

Lees Meer Lees Meer

Babi Pangang, is het nou Nederlands of toch Chinees? Of Indisch?

Babi Pangang, is het nou Nederlands of toch Chinees? Of Indisch?

Lang vroeg ik mij af waar de Babi Pangang van de Chinees toch van gemaakt was. Tot ik ooit procureur kocht, overigens voor een heel ander gerecht. De structuur van die procureur verklaart de malsheid van Babi Pangang. Maar daarmee was ik er nog niet achter hoe het bereid wordt.

Babi Pangang zou een typisch gerecht zijn uit de Nederlandse Chinees-Indische keuken, ontstaan na de naoorlogse komst van vele Indische Nederlanders en Indonesiërs naar Nederland. Maar is dat wel zo? Culinair journalist Marcel Maassen schreef er in 2017 al eens over, maar je kan zelf ook even neuzen in Delpher, de prachtige kranten zoeksite van de KB, met mogelijke uitstapjes naar tijdschriften en boeken. Ik schreef zelf ook al eerder over de Chinese oorsprong, toen ter introductie op zoet-zuur varkensvlees uit Sichuan in vergelijking met koe-loe-yuk. Een wereld van verschil, maar wel is duidelijk wat de herkomst is van die deegballetjes bij ‘onze’ Chinees. Wie bovendien bedenkt dat het grootste deel van Indonesië moslim is en dus geen varkensvlees eet, zal ook bedenken dat een gerecht als babi pangang niet zozeer een Indonesische oorsprong heeft als wel een Chinese. De eerste grote groep Chinezen vestigden zich in de zestiende eeuw in de Indonesische archipel. Tijdens het bewind van de VOC kwamen namelijk veel Chinezen op de plantages werken en zo kwam ook de Indonesische keuken onder invloed van de Chinese keuken. En de Chinezen eten wel varkensvlees.

De Chinese keuken kent bijvoorbeeld Char siu, geroosterde varkensvlees, ook bij elk Chinees restaurant te verkrijgen. Als je het afhaalt dan met saus in een beker apart. En kant-en-klaar bij elke toko in de diepvries in handzame porties. Zonder saus! Ik maakte het al eens met varkenshaas. De versie met procureur moet ik nog plaatsen, die maak ik eerlijk gezegd vaker.

Babi Pangang wordt juist geserveerd mét saus. Het vlees is gegaard en wordt daarna kort gefrituurd om vervolgens in dunne repen te worden gesneden. Maar pangang betekent ‘geroosterd’ en niet gefrituurd. Dus dat frituren lijkt uit de boze. Meestal wordt procureur gebruikt, maar wie er het boek Indische keukengeheimen van Jeff Keasbery er op na slaat, ziet dat zijn familie buikspek gebruikt. En een saus met als basis Indonesische taotjo. Bijzonder smakelijk. Ik maak hier een paar keer per jaar een variant op, elke keer tot groot plezier van de gasten, want ik maak het alleen bij speciale gelegenheden.

Maar er blijkt dus duidelijk sprake te zijn van verschillende versies Babi Pangangs. De oorspronkelijke versie werd door Chinese koks in het toenmalige Nederlands-Indië geïntroduceerd en werd gemaakt van buikspek. De bronnen over de samenstelling van de bijbehorende saus zijn het niet helemaal met elkaar eens, maar de tomaten-gembersaus die wij vandaag de dag eten is waarschijnlijk van de oorspronkelijke saus afgeleid en mogelijk bedacht voor de Europeanen in het toenmalige Nederlands-Indië. De saus is al zeker bijna 100 jaar in gebruik en is dus geen nieuwe bedenksel. Het buikspek is in de meeste restaurants hier in Nederland echter vervangen door procureur. Waarschijnlijk omdat het een stuk goedkoper is.

Lees Meer Lees Meer

Fryske dúmkes: koekjes met noten en anijs

Fryske dúmkes: koekjes met noten en anijs

Friezen zijn zoetekauwen, dat wordt vaak beweerd. En met Friezen in de familie kan ik het vanuit die invalshoek ook wel bevestigen.

In de studententijd vaak het Fries nationalisme in werking zien treden. Zat je met een Fries in het Nederlands te praten en kwam er een Fries bij, dan werd onmiddellijk naar de Friese taal omgeschakeld. Nu is Stadsfries vrij makkelijk te verstaan en daarmee was het omschakelen niet erg. Het echte Fries van de familie is veel lastiger om te begrijpen, laat staan zelf te spreken. Gelukkig is de familie meertalig opgevoed.

Die familie was niet de eerste kennismaking met Friesland. Dat was op 26 februari 1986 de 14e Elfstedentocht. Niet met dúmkes maar met Berenburg werd de kou in Dokkum bestreden. Je zag de wedstrijdschaatsers in een flits voorbij komen. Naast het ijs staande zag je daardoor ook dat de schaatsers in het echt veel harder reden dan op de TV.

Door de familieband zijn oranjekoek, suikerbrood en dúmkes voor mij als niet-Fries geen onbekenden meer. Waar dan vooral de dúmkes er voor mij echt uitspringen. Door de uitgesproken smaak.

Fryske dúmkes. Duimkoekjes, omdat vroeger de bakkers ze in een rechthoekige vorm drukte, ter grootte van een duim. En er ook met de duim op het laatst een zichtbare deukje in maakten. Dat zie je nu niet vaak meer.

Bezoek uit Friesland bracht ze regelmatig mee. Zo regelmatig dat onze kinderen, die er nog steeds dol op zijn, ze eigenlijk elke keer verwachtten.

Standaard horen er anijs en hazelnoten in te zitten. Soms wordt er een mix van hazelnoten en amandelen gebruikt. Gebruik je alleen amandelen, dan heten ze ineens Amelander dúmkes. Toevoegingen die tegenwoordig ook vaak in de koekjes te vinden zijn, zijn gember en kaneel. De kleur kan verschillen, afhankelijk van de kleur van de gebruikte (basterd)suiker.

Lees Meer Lees Meer

Uit de oven: Berenklauw met pindasaus

Uit de oven: Berenklauw met pindasaus

Iedereen heeft wel een favoriete snack die  graag wordt gegeten bij een patatje uit de patatzaak. Voor de een is dat een frikandel, voor een ander een kroket of kaassouffle. Of gewoon een broodje hamburger. Uiteraard zijn er tegenwoordig nog 20 andere mogelijkheden, zoals een mexicano of een shoarmarol of wat nog niet meer. Eerlijk gezegd heb ik ze nooit gegeten die nieuwerwetse snacks. Ik ben al die jaren redelijk trouw gebleven aan de kroket, of soms een frikandel speciaal. Voor de goede verstaander, ik ben geen frequent snackbarbezoeker. Verre van dat zelfs. Maar hoe minder je gaat, hoe lekkerder het er is. En mensen die zeggen dat ze nooit een patatje eten geloof ik niet 🙂

Van vroeger kan ik mij al die keuzemogelijkheden eigenlijk niet herinneren, doorgaans was de vitrine van de gemiddelde cafetaria ook wat kleiner dan de huidige toonbanken. Er stonden naast de gebruikelijke snacks slechts schaaltjes met slaatjes en een grote pot met gekookte eieren, dat weet ik nog. Met hooguit een goulashkroket naast de gewone kroket. En ik denk ook haast wel gewone gehaktballen.

We aten eerlijk gezegd ook weinig patat van de patatzaak, hooguit als we een dagje uit waren geweest. Onze moeder frituurde zelf af en toe en dan alleen patat. En alleen op een zaterdag in het voorjaar of de zomer, want de frituur stond buiten. Als ik al in de cafetaria kwam, dan was het om een ijsje te kopen.

Snacks aten we dus vroeger eigenijk niet, die luxe kwam pas in de studententijd. Ik woonde praktisch naast een cafetaria, waarvan de eigenaar elke dag ’s ochtends vroeg zijn patat vers sneed. Daar at ik ook voor het eerst een berenklauw. Met pindasaus uiteraard. Ik had die gehaktbal in schijven vroeger wel zien liggen in de vitrine, maar ik had geen idee. Dat veranderde dus toen ik voor mezelf moest gaan zorgen en de liefde voor pindasaus ontstond.

Maar wat voor mij een berenklauw is, heet voor veel anderen een berehap. In Limburg schijnt het een ‘spoetnik’ te heten en wordt het – heus – met currysaus gegeten.  Ik vind dat maar raar. Niet in de laatste plaats omdat voor mij een ‘spoetnik’ een mix is van cola (of sinas) met koffiemelk en suiker(!). De frisdrank giet je in een smalle, hoge beker op de suiker en de koffiemelk en het schuimt zo sterk en stevig dat je het schuim vervolgens met een lepel opeet. Jeugdsentiment, het bestaat.

Het succes van een berenklauw met pindasaus is volgens mij de zachte gebakken zoetige ui in combinatie met de hartige saus. Naast een goeie gehaktbal uiteraard. De berenklauw onderscheidt zich overigens van de berenlul, door moeders een gehaktstaaf genoemd, doordat de gehaktbal met plakken ui wordt bereid. De afwisseling van gehaktschijf en ui zorgt voor de typerende naamgeving. Zowel de berenklauw als de berenlul wordt standaard met pindasaus gegeten.

Ik beschouw mijzelf niet als onhandig in de keuken, maar een fatsoenlijke, stevige gehaktbal gaat niet vanzelf. Die kleintjes gaan nog net, al noem ik dat ook geen gelukkige huwelijk, maar grote gehaktballen maken… ach en wee. Ik eet dus eigenlijk nooit meer gehaktballen, behalve als onze moeder ze maakt.

Toch wilde ik iemand verrassen met een ‘ordinaire’ berenklauw en dan niet uit de frituur. Wat te doen? Valsspelen! Ik ben niet de eerste blogger die dat doet. Het is ook niet een volwaardig recept te noemen, maar drukt dat de pret? Dacht het niet! Elke excuus om pindasaus te eten is bovendien legitiem.

Ik besloot gegaarde gehaktballen te kopen bij de slager. Kant-en-klaar, je hoeft ze alleen maar op te warmen. En geen frituur nodig. Wil je zelf gehaktballen maken, dan kan dat natuurlijk ook. Zorg dan wel dat ze lekker compact zijn.

Lees Meer Lees Meer

Aardappeltaartje met spek en kaas

Aardappeltaartje met spek en kaas

Ik kwam er laat achter dat ik aardappels eigenlijk best lekker vind. Vroeger daarentegen vond ik ze niks, behalve als er Nieuwe aardappelen waren. Ik at aardappelen verder het liefst gebakken in schijfjes. Partjes bestonden gewoon nog niet. Patat wel, dat aten we hooguit eens per maand op zaterdag. Een voor een mochten we aanschuiven als onze moeder patat frituurde. Dat was echt veel lekkerder dan de patat van de patatzaak. En standaard met sla, tomaat, ei en slasaus. Die tomaat mikte ik overigens zorgvuldig van mijn bord.

Verder aten we denk ik vijf of zes dagen per week aardappels, meestal gekookt en in de winter in stampotvorm. Toen ik op mijn achttiende ging studeren, werden de aardappels als eerste afgeschaft. Rijst werd mijn nieuwe dagelijkse maaltijd. En af en toe aardappelballetjes: aardappelpuree in een krokant jasje. Een fenomeen dat een huisgenoot introduceerde.

Pas toen ik later in mijn studententijd de keuken van India leerde kennen ben ik weer aardappels gaan eten. Voorzichtig.

Intussen eet ik ze op Surinaamse (roti kip masala), Chinese (gestoofde sukade met aardappelen) en Spaanse wijze (tortilla). Ik maakte onlangs zelfs de ultieme kaas-aardappel-combinatie: de Franse aligot. En nog recenter voegde ik daar Italië aan toe met de rafanata, een fritata met aardappel en mierikswortel. En betrap ik mij erop dat een zak aardappelen soms leeg is voordat er uitlopers aan komen. Het kan verkeren.

Sterker nog, ik word zelfs een beetje creatief met aardappels. Die knollen zijn namelijk heel veelzijdig, aangezien ze erg goed smaken kunnen opnemen. En met gestampte aardappelen kun je alle kanten op, van grof tot puree.

Lees Meer Lees Meer

‘Indische’ slavinken

‘Indische’ slavinken

Voor de duidelijkheid: Indische slavinken bestaan niet echt. Behalve in mijn keuken. Het is een bedenksel. En alleen maar omdat ik werd uitgedaagd door de mede-blogger. Onlangs at ik voor het eerst sinds ik bij mijn ouders uit huis ben – en dat is lang – een slavink. Van de supermarkt dat wel. Onze moeder eet ze regelmatig, van de lokale slager. Niet perfect vormgegeven, in tegenstelling tot de machinale supermarktexemplaren, maar robuust. Ze doen wat denken aan de ‘houthakkerburger’, een hamburger omwikkeld met twee plakjes spek. Net zo’n gemaksuitvinding als de ‘slavink’.

Die slavink stamt namelijk uit 1952,  bedacht door door de Hilversumse slager Boerwinkel. De naam werd een jaar later bedacht door een slager Spoelder uit Laren. Was de slavink 50 jaar eerder bedacht, dan was de kans groot dat er wel een Indische variant zou zijn.

De ‘slavink’ is een afgeleide van de ‘blinde vink’, gekruid rundergehakt omwikkeld met een dun lapje vlees. Deze blinde vink is ook heel wat ouder de de slavink. En ja, de verwijzing naar een vogeltje is er niet voor niets. In de achttiende eeuw at men ook in Nederland gewoon zangvogeltjes. De eerste recepten voor alternatieven met ander vlees verschijnen dan ook al snel. In de achttiende eeuw sprak men in de Provence over alouettes sans tête (leeuweriken zonder kop). Een leeuwerik is dan wel geen vink, maar het idee is wel duidelijk. En van blinde vink naar slavink is het een kleine stap.

Lees Meer Lees Meer

Rijsttaart met lemoncurd

Rijsttaart met lemoncurd

Ik maak graag dingen ik niet ken. Maar één ding maak ik eigenlijk zelden: een taart, net zoals een cake. Voor alle Westerse zoete taarten en cakes op dit blog is BroeR verantwoordelijk. Niet dat ik het niet lust, maar noem het een gezonde zelfbeheersing. Net zoals ik geen koekjes bak of zelfs maar koop. Af en toe maak ik mijn tantes walnotenkoek, als de walnoten weer van de bomen vallen. Het is een oud recept, maar het doet het goed bij gezondheidsadepten, maar persoonlijk noem ik het een lekkere caloriebom.

Iets wat al lang op mijn te-maken-lijstje stond, was rijsttaart. Vooral omdat ik nu eenmaal verzot ben op rijst. Vervolgens was het kwestie van wachten op de juiste gelegenheid. En onlangs diende die zich aan, nl. de verjaardag van een 11-jarige. Waarmee zich een nog uitdaging aandiende: de taart mocht geen gluten bevatten. Met rijst is dat natuurlijk geen probleem, maar voor de bodem had ik in eerste instantie toch echt een dun biscuitdeeg in gedachten. Na even zoeken bleek een taart zonder deeg of zelfs bodem helemaal geen probleem te zijn.

Een rijsttaart zonder deeg bestaat uit eieren, vanille, saffraan, boter, suiker, melk en natuurlijk rijst. Maar wat voor rijst? Dessertrijst? Dat lijkt mij geen rijstsoort, maar een commerciële benaming. Dessertrijst wordt ook gebruikt voor rijstepap, waarin de structuur van rijst niet echt herkenbaar meer is. Maar dessertrijst viel af, ook omdat ik geen rijst koop in een muffe kartonnen verpakking. Ketanrijst (kleefrijst) of risottorijst leken mij een prima alternatief.

Ik koos voor Arborio rijst, een licht klevende rijst uit Italië met grote, bijna ronde, korrels die veel vocht opnemen, maar van binnen wel een beetje stevig blijven. Ik had ook kunnen kiezen voor Carnaroli, met iets grotere en langere korrels, maar ook een wat natter resultaat. Voor een rijsttaart leek mij dat minder geschikt, in ieder geval voor een eerste poging, want dan zou meer bindmiddel (ei) nodig zijn om te voorkomen dat mijn rijsttaart niet stevig genoeg zou worden. Een experiment.

Lees Meer Lees Meer

Krabbetjes, toen we nog geen spareribs kenden

Krabbetjes, toen we nog geen spareribs kenden

Veel mensen kennen krabbetjes niet, of zijn ze waarschijnlijk vergeten. Het wordt tegenwoordig soms nog aan erwtensoep toegevoegd, maar wij aten het vroeger bij de zuurkool. Gebakken of beter, langzaam gesudderd. Ik at het liever dan rookworst (maar het liefst natuurlijk allebei). In de supermarkt zie je tegenwoordig nauwelijks nog krabbetjes liggen, meestal als onderdeel van een erwtensoeppakket. Daarom haal ik in de winter bij de groothandel altijd een aantal porties. Uiteraard kun je het ook in de zomer eten, maar net als rookworst horen krabbetjes voor mijn gevoel toch echt bij de winter.

Spareribs en krabbetjes zijn eigenlijk hetzelfde, maar toch niet helemaal. Wanneer de ribbetjes van de lende van het varken worden gesneden, noemen we ze spareribs. Het vlees is mager en mals. In de V.S. worden deze baby back ribs genoemd. De lager gelegen spareribs, ter hoogte van de buik, zijn al wat vetter. Als je nog dichter bij het borstbeen komt, worden de kleine ribbetjes echte ribben, ‘krabbetjes’ genaamd. Er zit meer vlees aan de ribben, wat bovendien stugger is, maar ook wat meer vet. Echte krabbetjes hebben nog een stukje kraakbeen aan het uiteinde, ‘knars’ noemden wij het thuis. Iets wat vroeger gewoon werd opgegeten. Het is gek dat deze varkensribben tegenwoordig niet veel meer gegeten worden, terwijl de variant van de koe, de ‘short rib’, ontzettend populair is, met name bij de liefhebbers van de barbecue. Wonderlijk bovendien, want krabbetjes zijn spotgoedkoop. En dat terwijl je voor short ribs vaak de spreekwoordelijke rib uit je lijf betaalt.

Krabbetjes hebben een langere bereidingstijd nodig dan spareribs en worden gekookt of gestoofd gegeten. Onze moeder stoofde ze vroeger, moddergaar, totdat het vlees bijna van het bot viel. Oh, zo lekker. Maar je kunt ze natuurlijk ook behandelen als het grote broertje van spareribs. Meestal stoom ik mijn spareribs, maar ik twijfel of dat met het dikke vlees van krabbetjes handig is. In de braadpan dus. Wel gemarineerd.

Lees Meer Lees Meer