Gehaktballetjes met snelle pindasaus
Kippendijen bestonden vroeger niet volgens mij. We aten kippenpoten of kipfilet. En kippenvleugels als traktatie. Oh ja, en drumsticks. Kippendijen kan ik mij niet herinneren. Kipkarbonade wel, dat was de kippendij met rugstuk. En standaard met vel volgens mij.
Maar kip was niet het enige vlees dat we aten. Schouderkarbonade, speklapjes en verse worst kan ik mij goed herinneren. En soms rundvlees als er in de familie een koe was geslacht. Of in de winter als hachee. Biefstuk aten we volgens mij niet, waarschijnlijk omdat het duur was. Ik lustte het bovendien niet. Die bloederige toestand was niks voor mij.
Wat ik heel graag at, waren onze moeders gehaktballen. Ik mocht ze soms helpen maken. En dan een beetje snoepen van het rauwe gehakt. Dat mocht toen nog. Ze werden gebraden in de boter in een niet al te grote rode gietijzeren pan. Zo’n pan die een hele generatie meegaat.
Gehaktballen, dat was nooit een straf. De harde stukjes van de bodem van de pan schrapen was een extra beloning. Ketchup lijkt voor de gehaktbal gemaakt bovendien. Maar ondanks dat ik er vroeger met mijn neus bovenop zat, wat ik later ook probeerde, ik kreeg met geen mogelijkheid zo’n gehaktbal als onze moeder ze maakte. Kleine gehaktballetjes zijn daarentegen makkelijker te maken.
Gehaktballetjes en pindasaus. Twee dingen die je kant en klaar in de supermarkt kan kopen, maar je eigenlijk net zo goed zelf kan maken. Je weet bovendien wat er in zit en je kan het helemaal naar je eigen smaak aanpassen.
Als warm borrelhapje zijn kleine gehaktballetjes erg lekker met pindasaus. En in de tijd dat je naar de winkel gaat om kant-en-klare pindasaus te halen, maak je je eigen saus. Echt.
Gebruik liever geen mager gehakt, dan worden je ballen snel te droog en vallen je ballen sneller uit elkaar, ei ten spijt.