Archief van
Tag: pindasaus

Gehaktballetjes met snelle pindasaus

Gehaktballetjes met snelle pindasaus

Kippendijen bestonden vroeger niet volgens mij. We aten kippenpoten of kipfilet. En kippenvleugels als traktatie. Oh ja, en drumsticks. Kippendijen kan ik mij niet herinneren. Kipkarbonade wel, dat was de kippendij met rugstuk. En standaard met vel volgens mij.

Maar kip was niet het enige vlees dat we aten. Schouderkarbonade, speklapjes en verse worst kan ik mij goed herinneren. En soms rundvlees als er in de familie een koe was geslacht. Of in de winter als hachee. Biefstuk aten we volgens mij niet, waarschijnlijk omdat het duur was. Ik lustte het bovendien niet. Die bloederige toestand was niks voor mij.

Wat ik heel graag at, waren onze moeders gehaktballen. Ik mocht ze soms helpen maken. En dan een beetje snoepen van het rauwe gehakt. Dat mocht toen nog. Ze werden gebraden in de boter in een niet al te grote rode gietijzeren pan. Zo’n pan die een hele generatie meegaat.

Gehaktballen, dat was nooit een straf. De harde stukjes van de bodem van de pan schrapen was een extra beloning. Ketchup lijkt voor de gehaktbal gemaakt bovendien. Maar ondanks dat ik er vroeger met mijn neus bovenop zat, wat ik later ook probeerde, ik kreeg met geen mogelijkheid zo’n gehaktbal als onze moeder ze maakte. Kleine gehaktballetjes zijn daarentegen makkelijker te maken.

Gehaktballetjes en pindasaus. Twee dingen die je kant en klaar in de supermarkt kan kopen, maar je eigenlijk net zo goed zelf kan maken. Je weet bovendien wat er in zit en je kan het helemaal naar je eigen smaak aanpassen.

Als warm borrelhapje zijn kleine gehaktballetjes erg lekker met pindasaus. En in de tijd dat je naar de winkel gaat om kant-en-klare pindasaus te halen, maak je je eigen saus. Echt.

Gebruik liever geen mager gehakt, dan worden je ballen snel te droog en vallen je ballen sneller uit elkaar, ei ten spijt.

Lees Meer Lees Meer

Petjil, groente salade met pindasaus

Petjil, groente salade met pindasaus

Je hebt pindasaus en je hebt pindasaus. En je hebt pindasaus voor gado-gado, een mix van geblancheerde groenten die koud of lauwwarm worden geserveerd. En je hebt pindasaus voor petjil, een andere groentesalade. En je hebt …. We kunnen nog wel even doorgaan natuurlijk. Maar laten we voorop stellen dat we het niet hebben over de bruine derrie uit een emmertje in de supermarkt. Je kunt pindasaus zelf maken, maar er zijn ook in de toko kwalitatief goede zakjes pindamengsels te koop die je alleen nog maar met een beetje water hoeft aan te lengen. En allemaal zonder additieven die je niet nodig hebt.

Gado gado en petjil (of pecel) is de manier om echte vleeseters die groenten laten staan bij een maaltijd groenten te laten eten. Succes gegarandeerd. Pindasaus is als chocolade voor veel mensen. Ze blijven ervan eten.

Pindasaus wordt in grote delen van Zuidoost-Azië in allerlei varianten gegeten. En geen lijkt er eigenlijk echt op de vernederlandste versie die we kennen van de lokale Chinees of van de patatboer. Echte pindasaus is veel smakelijker en aromatischer. En heus niet te moeilijk om te maken.

Petjil is oorspronkelijk afkomstig van Oost-Java, een eiland dat veel meer salades kent. Gado gado is er één van, afkomstig van West-Java. Lotek is een andere minder bekende variant.

De samenstelling van een petjil kan verschillen, maar bestaat meestal uit een combinatie van bladgroenten, taugé, sperziebonen en kool. Vaak ook geserveerd met gefrituurde tahoe en lontong, blokjes geperste rijst. De saus is gemaakt van geroosterde pinda’s met tamarinde, palmsuiker en kentjoer, knoflook en trassi. En niet onbelangrijk, pepers. De saus voor petjil is pittig, in tegstelling tot dexsaus voor gado-gado. De saus is over het algemeen heel dik, want met het vocht van de groenten verdunt die vanzelf een beetje.

Javaanse contractarbeiders hebben petjil in Suriname geïntroduceerd. In elke warung kun je petjil bestellen, in verschillende varianten, met waterspinazie bijvoorbeeld, maar bijna altijd met kousenband als belangrijkste groente. Vaak nog bestrooid met wat gefrituurde sjalotjes. Petjel is een geweldige lunchmaaltijd.

Eerlijk gezegd ken ik alleen de Surinaamse versie, maar zoveel verschil als tussen soto en saoto zal er niet zijn met de Indonesische versies van de saus.

Lees Meer Lees Meer

Gado gado, een feestmaal

Gado gado, een feestmaal

In de familie doen we over het algemeen niet meer aan kadootjes met verjaardagen. Het idee daarachter is dat we alles al hebben en als we iets nodig hebben, dan kopen we het. We realiseren ons dat dit een luxe is, maar weigeren om elkaar onzin kadootjes te geven. Dat betekent echter niet dat er geen kadootjes gegeven worden. Ik vul verjaardagen bijvoorbeeld op een andere manier in: ik kook. De jarige heeft enige invloed, maar in hoofdlijnen bepaal ik wat er gegeten wordt. Noem het wijsheid door ervaring. Daarbij probeer ik uiteraard wel rekening te houden met persoonlijke voorkeuren, met name die van de jarige. Maar ik mag soms graag verrassen. Zo aten we vorig jaar een keer ajam smoor van kippenmaagjes. Iedereen vond het lekker, ook nadat ze hoorden wat het was. Verjaardagen zijn bovendien een goede reden om eens flink uit te pakken met gerechten voor veel, of heel hongerige eters.

Onlangs was mijn schoonzus jarig en je kunt haar niet bijzonder blij maken met een vleesmaaltijd, dit in tegenstelling tot de rest van het gezin. Hoeveel je ook maakt, het gaat eigenlijk altijd op. Hoewel er soms een klein beetje overblijft, ik vermoed een soort van beleefdheidshapje. Dat vervolgens de volgende dag keurig wordt verdeeld weet ik uit de overlevering. Want ik neem natuurlijk niks mee terug, het is immers een kadootje.

Maar de voorkeur van de schoonzus gaat uit naar groenten. Dus ik stelde dit keer Surinaamse Tjap Tjoi voor, dat je prima zonder kip kunt eten, of gado gado. Zonder blikken blikken of blozen werd voor gado gado gekozen. Wat maar bewijst dat bijna niemand de kans om pindasaus te eten zomaar voorbij laat gaan. En met veel groenten dus ook nog eens verantwoord…

Gado gado is een van oorsprong Indonesisch gerecht en kennen we in Nederland vooral van de Chinees-Indische restaurants. Vaak met wat verkruimeld kroepoek over de saus. Maar gado-gado van de Chinees is een beetje als een hamburger van McDonalds. Waar je ook komt, het smaakt eigenlijk altijd hetzelfde. En in het geval van gado gado vind ik dat niet per se een compliment (van die hamburger trouwens ook niet, maar dat terzijde). Dat komt vooral ook door de pindasaus, die ik persoonlijk niet zo bijzonder vind. Maar smaken verschillen, want de gado gado van de Chinees en ook de sate met saus is mateloos populair.

Maar ik mag dus graag mijn eigen pindasaus maken voor gado gado. Die strikt genomen niet hetzelfde is als een standaard pindasaus. Een pindasaus voor gado gado is gemaakt van gemalen geroosterde pinda, palmsuiker, knoflook, rode peper, zout, tamarinde en limoensap. Ik geef daar een beetje een eigen draai aan. Naast knoflook voeg ik geraspte gember toe en naast palmsuiker voeg ik een flinke scheut ketjap op basis van palmsuiker toe. Zout laat ik achterwege en in plaats van tamarinde (wat ik meestal niet in huis heb) en limoensap gebruik ik een lekkere rijstazijn. Oh ja, en ik gebruik 100% pindakaas met stukjes. Dat scheelt gedoe. In plaats van rode pepers gebruik overigens meestal sambal, bij voorkeur niet te pittig. Wel de smaak, maar niet de hitte.

Vaak wordt er nog gekookt ei, al dan niet in plakjes, bij de gado gado geserveerd, maar aangezien er ook vlees werd geserveerd (Ajam Merah, oftewel Rode kip) liet ik de eieren dit keer achterwege.

Lees Meer Lees Meer

Het loempia-pastei experiment – SU-stijl

Het loempia-pastei experiment – SU-stijl

Elk gerecht is al eens gemaakt. Door een professionele kok, een hobbykok of waarschijnlijker door een van de vele miljoenen die dagelijks een maaltijd voor hun gezin verzorgen. Of anders is er ergens wel een student die van de nood een deugd heeft gemaakt. Nee, illusies dat ik iets nieuws heb bedacht, heb ik niet.

Het leuke aan de mobiele telefoon is dat de foto-app mij vrijwel dagelijks foto-herinneringen stuurt. Niet alleen van eten overigens, maar regelmatig zie ik een gerecht of complete maaltijd uit het verleden voorbij komen. Zo raakte ik geïnspireerd door de foto’s van de verschillende pasteitjes die ik in Suriname heb gegeten. Soms gevuld met vlees, dan weer vis (verrassend bij het ontbijt) of aardappel met groente. En laat ik nog twee grote aardappels hebben liggen waar ik iets mee had willen maken waar ik uiteindelijk geen zin in had. En ze begonnen al te overwegen om uit te gaan lopen. Het bewijs overigens dat te lang van te voren bedenken wat ik ga eten bij mij niet werkt.

Pasteitjes worden normaal gesproken gemaakt met bladerdeeg. Dat had ik niet in huis, maar wel had ik nog loempiavellen liggen van de laatste keer dat ik martabak telor maakte. Een idee was geboren, aardappel met kousenband en pinda sambel. Een pasteitje in loempiavorm. Soort van. Dus ik besloot er ook nog taugé aan toe te voegen. Geen loempia zonder taugé tenslotte.

Je kunt zelf een smakelijke pindasaus maken, maar als je de hand weet te leggen op echte Surinaamse pinda sambel kan ik dat echt aanraden. Het is een gekruide Surinaamse pindasaus, met onder andere tamarinde, kentjoer, knoflook en vaak peper. De pindasaus is grover dan de standaard pindasaus en door de specerijen kruidiger en vol van geur. Je ziet en ruikt het verschil al voordat je het hebt geproefd. Echte Surinaamse pinda sambel is soms wel wat lastiger te verkrijgen. Gelukkig had ik een grote koffer bij me…

Lees Meer Lees Meer

Pasteitjes met kip, kousenband en pindasaus…

Pasteitjes met kip, kousenband en pindasaus…

Pindasaus, voedsel voor de goden. Zo’n ingrediënt dat de maaltijd kan maken of breken. Een pindasaus gebruik je niet in overvloed maar met mate. Je wil niet alleen de pindasaus proeven tenslotte, maar ook de rest. Hetzelfde geldt voor andere sauzen trouwens. Is in een restaurant het gerecht overdadig overgoten met saus, dan vraag ik mij gelijk af wat er mis is met de rest van het gerecht.

En nog maar een keer, pindasaus is pas satésaus als het bij de saté wordt gegeten. Maar satésaus hoeft helemaal geen pindasaus te zIjn, het kan ook een ketjapsaus zijn. Waarschijnlijk zijn die grote emmers van een bekend merk hiervoor verantwoordelijk. Satésaus staat er met grote letters op. Het is bijna als het monster van Frankenstein. Bijna iedereen denkt dat Frankenstein de naam is van het monster, maar het monster heeft geen naam. Niet gekregen van zijn maker en hij wilde zelf ook geen naam aannemen. Frankenstein is de naam van zijn maker.

De pindasaus die je hier doorgaans bij je saté eet, is ook eigenlijk te dik voor bij de saté. Misschien komt dat wel door de Chinese restaurants die dit oorspronkelijke Indonesische gerecht serveren. Maar Nederlanders houden blijkbaar van die dikke saus bij hun saté en zo is het waarschijnlijk de standaard geworden.

Ik geef toe, heel vroeger gebruikte ik ook wel eens die saus uit de emmer. Maar ik vond het gelijk al verdacht, zo’n donkere en glimmende pasta. Het lijkt in die vorm niet eens op pindasaus. Met wat water maak je snel een saus. Maar laat het maken van pindasaus nou ongeveer net zoveel werk zijn! En is het maken van mayonaise makkelijk, dan is het maken van een pindasaus dat helemaal. Pindakaas, water en wat smaakmakers. Meer is het niet. Makkelijk en snel te maken in de hoeveelheid die je zelf wil. Weg met die zakjes en emmers uit de supermarkt! Een pot pindakaas is voldoende om een lekkere pindasaus te maken.

Ik had dus zin in pindasaus.

Bladerdeeg. Kant-en-klaar verkrijgbaar, vers op rol of ingevroren handzame plakjes. Met name voor pasteitjes en kleine hapjes gebruik ik de diepvriesvariant. Maak je een taart dan zou ik de verse rol gebruiken.

Pindasaus dus, maar niet in een zware maaltijd en ik had ook geen zin om heel uitgebreid te gaan koken. Pasteitjes van bladerdeeg met kip en kousenband!

Lees Meer Lees Meer

Surinaamse petjel pasteitjes

Surinaamse petjel pasteitjes

Voor mijn werk zit ik regelmatig op locatie. Zelden eet ik dan in het hotel of er moet echt geen andere mogelijkheid zijn. Hoteleten is in Nederland doorgaans niet aan mij besteed. Liever eet ik in een restaurant en dan bij voorkeur eentje uit de Aziatische hoek. Afgelopen week at ik Surinaamse broodjes en hapjes als lunch en at ik ’s avonds in respectievelijk een Indiaas, een Chinees-Indische (cultureel erfgoed!) en een Indonesisch restaurant. Een pindasaus zul je in het Indiase restaurant niet snel tegenkomen, maar bij de andere eetgelegenheden wel. Die bij het Chinees-Indische restaurant kun je beter mijden naar mijn bescheiden mening, want het feit dat dit bij alle restaurants hetzelfde smaakt zegt eigenlijk al genoeg. Voor de rest kunnen ze geweldig koken, maar pindasaus is niet bedacht door Chinezen, dat is wel duidelijk. In het Indonesische restaurant at ik grappig genoeg geen pindasaus, maar andere lekkere dingen zoals rendang en smoor terong, waarover een volgende keer meer. In de Surinaamse keuken is pindasaus een bekend gegeven, met dank aan de Javaanse contractarbeiders die eind twintigste eeuw naar Suriname trokken, niet geheel vrijwillig overigens. De Surinaamse pindasauzen smaken vaak net iets anders dan de oorspronkelijke Indonesische versies. Niet in de laatste plaats is dat te danken aan het gebruik van de Madame Jeanette, náást de rode peper.

Petjel is een van die gerechten die met de Javaanse arbeiders de oversteek naar Suriname hebben gemaakt. Petjel bestaat net zoals gado-gado uit verschillende groenten met pindasaus. Een belangrijk verschil wel dat bij petjel de saus wat pittiger is. Typisch voor petjel is ook het gebruik van kentjoer, een familielid van gember. Een unieke smaak die doet denken aan peper en gember. Er wordt van gezegd dat je het eigenlijk niet kan vervangen. Het maakt deze pindasaus ook net wat frisser.

Nu ben ik normaal gesproken niet zo van de zakjes, maar voor de de petjel maak ik een uitzondering. Ik heb namelijk nog geen fatsoenlijk recept kunnen vinden voor de juiste verhoudingen en eigen probeersels hebben nog niet tot het gewenste resultaat geleid. Bovendien kun je bij de meeste toko’s en vaak ook Turkse supermarktjes Surinaamse pindasaus voor petjel vinden, uit Suriname. Niet duur en heel lekker.

Pejtel kun je met verschillende groenten eten, ik doe het met kool, kousenband en een beetje taugé. Voor het deeg van de pasteitjes gebruik ik bladerdeeg of deeg voor hartige taart. Beide uit de vriezer, in pakjes van 10 vellen. Persoonlijk geef ik de voorkeur aan de deegvellen voor hartige taart, je krijgt er een lekkere harde pasteitjes van. Maar bladerdeeg kan dus ook.

Lees Meer Lees Meer

Eieren in pindasaus

Eieren in pindasaus

Pindasaus is mijn guilty pleasure. Ik durf wel te zeggen dat ik het redelijk onder controle heb, want ik maak het hooguit een keer in de maand. Maar dat maakt het elke keer wel weer zo lekker. Had ik maar vaker een dergelijke discipline…

Ik blijf ongetwijfeld in herhaling vallen, maar ik snap niet dat mensen een kant-en-klare saus bij de supermarkt kopen of zelfs een zakje poeder. Enkel een aantal merken bij de toko – zoals Ratu (Indisch) en Lekker-Bekkie (Surinaams) – halen het bij zelfgemaakte pindasaus (en zijn zelfs lekkerder). ‘Alleen aan te leggen met water’ staat er vaak op een emmer glimmende (!) pre-fab saus. Beste mensen, pindasaus glimt niet, echt niet. Soms hoef je de saus zelfs alleen maar op te warmen. Tja, dan kan je net zo goed pindakaas gebruiken natuurlijk. Je moest eens weten hoeveel pindasaus je kan maken met een pot pindakaas.

Puristen maken pindasaus vanaf nul, met zelf gebrande pinda’s. Daar zal ik nog eens een recept voor plaatsen, maar doorgaans maak ik het met pindakaas. Daar zit wel nogal wat verschil tussen. De meeste pindakaas bevat naast een beetje zout ook een of meerdere oliën, waaronder het vaak bekritiseerde palmolie. Dat is vooral om de smeuïgheid te garanderen. Hoe smeuïger, hoe makkelijker smeerbaar tenslotte. Sommige pindakaas bevat zelfs suiker, wat puur een smaakmaker is. Eigenlijk overbodig voor de standaard pindakaas bedoeld voor op brood. De meest zuivere pindakaas zijn over het algemeen de biologische merken. Die bevatten doorgaans alleen pinda’s en een snufje zout. Uiteindelijk geldt natuurlijk dat je vooral de pindakaas moet nemen die je lekker vindt. Maar voor een zelfgemaakte pindasaus ga voor een pindakaas met zo min mogelijk toevoegingen en smaakmakers. Die kun je namelijk het beste gewoon zelf toevoegen naar voorkeur.

Lees Meer Lees Meer

Uit de oven: Berenklauw met pindasaus

Uit de oven: Berenklauw met pindasaus

Iedereen heeft wel een favoriete snack die  graag wordt gegeten bij een patatje uit de patatzaak. Voor de een is dat een frikandel, voor een ander een kroket of kaassouffle. Of gewoon een broodje hamburger. Uiteraard zijn er tegenwoordig nog 20 andere mogelijkheden, zoals een mexicano of een shoarmarol of wat nog niet meer. Eerlijk gezegd heb ik ze nooit gegeten die nieuwerwetse snacks. Ik ben al die jaren redelijk trouw gebleven aan de kroket, of soms een frikandel speciaal. Voor de goede verstaander, ik ben geen frequent snackbarbezoeker. Verre van dat zelfs. Maar hoe minder je gaat, hoe lekkerder het er is. En mensen die zeggen dat ze nooit een patatje eten geloof ik niet :-)

Van vroeger kan ik mij al die keuzemogelijkheden eigenlijk niet herinneren, doorgaans was de vitrine van de gemiddelde cafetaria ook wat kleiner dan de huidige toonbanken. Er stonden naast de gebruikelijke snacks slechts schaaltjes met slaatjes en een grote pot met gekookte eieren, dat weet ik nog. Met hooguit een goulashkroket naast de gewone kroket. En ik denk ook haast wel gewone gehaktballen.

We aten eerlijk gezegd ook weinig patat van de patatzaak, hooguit als we een dagje uit waren geweest. Onze moeder frituurde zelf af en toe en dan alleen patat. En alleen op een zaterdag in het voorjaar of de zomer, want de frituur stond buiten. Als ik al in de cafetaria kwam, dan was het om een ijsje te kopen.

Snacks aten we dus vroeger eigenijk niet, die luxe kwam pas in de studententijd. Ik woonde praktisch naast een cafetaria, waarvan de eigenaar elke dag ’s ochtends vroeg zijn patat vers sneed. Daar at ik ook voor het eerst een berenklauw. Met pindasaus uiteraard. Ik had die gehaktbal in schijven vroeger wel zien liggen in de vitrine, maar ik had geen idee. Dat veranderde dus toen ik voor mezelf moest gaan zorgen en de liefde voor pindasaus ontstond.

Maar wat voor mij een berenklauw is, heet voor veel anderen een berehap. In Limburg schijnt het een ‘spoetnik’ te heten en wordt het – heus – met currysaus gegeten.  Ik vind dat maar raar. Niet in de laatste plaats omdat voor mij een ‘spoetnik’ een mix is van cola (of sinas) met koffiemelk en suiker(!). De frisdrank giet je in een smalle, hoge beker op de suiker en de koffiemelk en het schuimt zo sterk en stevig dat je het schuim vervolgens met een lepel opeet. Jeugdsentiment, het bestaat.

Het succes van een berenklauw met pindasaus is volgens mij de zachte gebakken zoetige ui in combinatie met de hartige saus. Naast een goeie gehaktbal uiteraard. De berenklauw onderscheidt zich overigens van de berenlul, door moeders een gehaktstaaf genoemd, doordat de gehaktbal met plakken ui wordt bereid. De afwisseling van gehaktschijf en ui zorgt voor de typerende naamgeving. Zowel de berenklauw als de berenlul wordt standaard met pindasaus gegeten.

Ik beschouw mijzelf niet als onhandig in de keuken, maar een fatsoenlijke, stevige gehaktbal gaat niet vanzelf. Die kleintjes gaan nog net, al noem ik dat ook geen gelukkige huwelijk, maar grote gehaktballen maken… ach en wee. Ik eet dus eigenlijk nooit meer gehaktballen, behalve als onze moeder ze maakt.

Toch wilde ik iemand verrassen met een ‘ordinaire’ berenklauw en dan niet uit de frituur. Wat te doen? Valsspelen! Ik ben niet de eerste blogger die dat doet. Het is ook niet een volwaardig recept te noemen, maar drukt dat de pret? Dacht het niet! Elke excuus om pindasaus te eten is bovendien legitiem.

Ik besloot gegaarde gehaktballen te kopen bij de slager. Kant-en-klaar, je hoeft ze alleen maar op te warmen. En geen frituur nodig. Wil je zelf gehaktballen maken, dan kan dat natuurlijk ook. Zorg dan wel dat ze lekker compact zijn.

Lees Meer Lees Meer

Spruitjes, een goed excuus voor pindasaus

Spruitjes, een goed excuus voor pindasaus

Vooropgesteld, ik was niet eens van plan dit te plaatsen. Maar het komt door een paar Belgen en een Brabander. Ik postte namelijk op één van de sociale media een foto van mijn avondeten: spruitjes met pindasaus. En ik zag een aantal mensen virtueel van hun stoel vallen. Alsof er een wereld voor hen open ging. Spruitjes met pindasaus?! Ik bekende eigenlijk niet beter te weten. Ja, spruitjes zonder pindasaus. Van vroeger. Maar dat was niet lekker. Spruitjes heb ik leren waarderen door de pindasaus. Niet van die grote spruiten, maar kleintjes ter grootte van een flinke knikker.

Ik kan mij overigens niet aan de indruk onttrekken dat spruitjes zachter van smaak zijn dan vroeger het geval was. Maar mogelijk heeft dat ook te maken met de veranderingen in kooktijd die we hanteren vergeleken met een aantal decennia geleden. Oudere generaties kookten (en koken) alles door en door gaar, terwijl we tegenwoordig meer van beetgaar houden. Kook je spruitjes te lang, dan ontstaat die typische spruitjeslucht, zoals ook andere koolsoorten dat hebben, waarbij allerlei zwavelverbindingen vrijkomen. Kook je de spruitjes kort, of roerbak je ze, dan heb je ook geen last van de geur. Overigens bedenk ik mij plots dat de combi van spruitjes met pindasaus misschien uit mijn vegaperiode stamt, maar zeker weten doe ik het niet. Ik zal mijn vegavrienden eens raadplegen. In ieder geval gaven de (lichtelijk verbaasde) Belgen aan dat ze de spruitjes kort koken en daarna ‘stoven in volle boter met nootmuskaat’. De Brabander zei ‘kort koken en roerbakken in gekarameliseerde boter’. Beide methoden ken ik dan weer niet, sowieso ben ik geen grootverbruiker van boter. Bij voorkeur gebruik ik pindaolie.

Lees Meer Lees Meer

Noedels met pindasaus (de Indonesische variant)

Noedels met pindasaus (de Indonesische variant)

Een mens moet pindasaus eten (tenzij je allergisch bent natuurlijk). Pindasaus is niet per se gezond, maar wel erg lekker. Favoriet bij spruitjes, maar ook bij Thai-style noedels of petjil, een van oorsprong Javaanse groentesalade met pindasaus, ook populair in Suriname. De Thai-style noedels zijn bij mij geliefd, ook omdat het snel te maken is. Maar soms varieer ik met de pindasaus, want de ene pindasaus is de andere niet. Heb je bovendien wat meer tijd, dan kun je de pindasaus van pinda’s maken i.p.v. pindakaas. Geeft net iets meer voldoening zeg maar.

Intussen weet je natuurlijk dat een pinda geen noot is, maar een peulvrucht. En zoals zoveel voedsel dat we tegenwoordig eten, is het afkomstig uit Zuid-Amerika. Overigens is ook een walnoot strikt genomen geen noot, maar een steenvrucht. Zoals een kers of een perzik dus. Maar dat ter zijde. Pinda’s bestaan voor een groot deel uit vet, dat we met name kennen als arachideolie of pinda-olie. Redelijk neutraal van smaak en bovendien met een hoog rookpunt, wat het erg geschikt maakt voor roerbakken bij hoge temperaturen, veel beter dan bijvoorbeeld zonnebloemolie. En je bent verlost van die ‘vettige oliesmaak’ die je bij gebruik van zonnebloemolie krijgt. Bij hoge temperaturen verbrandt zonnebloemolie bovendien snel, wat zorgt voor allerlei schadelijke afvalproducten. Oftewel voor een paar dubbeltjes meer, smaakt je eten een stuk beter. Terug naar de pindasaus.

Uiteraard heb je voor een maaltijd met noedels niet zo heel veel saus nodig, maar wil je de saus gebruiken voor kipsaté of eiersaté of ergens anders bij, dan pas je de hoeveelheden eenvoudig aan. Onderstaand recept is goed voor 3-4 personen. Saus die je overhoudt, gebruik je voor een andere maaltijd.

Lees Meer Lees Meer